De rijkere boeren

De rijkere boeren bouwden rond 1875 een nieuwe  boerderij 


Henk de Zeeuw (Boerderijenstichting Land van Vollenhove)

(gepubliceerd in KONDSCHAP jrg 39 no 2, juni 2023)

In het Land van Vollenhove staan verschillende grote boerderijen met dubbel stel baanderdeuren, het voorhuis wat hoger opgemetseld en grotere ramen boven. Veel van die boerderijen zijn  gebouwd tussen 1865 – 1885. Bijvoorbeeld, in de Leeuwte (o.a. no 47, 30 en 36), Oppen Swolle (o.a. no 3 en 6), de Barsbeek (o.a. no 54) en de Bergkampen (o.a. no 31).

Fig. 1. Leeuwte 30/30a gebouwd in 1875 (Foto: Vincent Erdin, 2021)

Om te begrijpen hoe dat zo gekomen is, moeten we even terug in de tijd. 

Veranderende verhoudingen op het platteland

Na 1795 stegen de graanprijzen heel hard vanwege een door de Engelsen ingestelde blokkade terwijl pachtprijzen en lonen van arbeiders in deze periode constant bleven. Hierdoor werd de vermogenspositie van boeren versterkt. In diezelfde periode verloor de landadel hun traditionele voorrechten en velen van hen zouden in navolgende jaren uit Vollenhove vertrekken. Ook werden na 1795 de boerderijen verkocht die vóór de reformatie in het bezit waren van de katholieke kerk en de kloosters. Samen met het feit dat het in deze tijd makkelijk was om tegen een lage rente geld te lenen, maakte dit dat veel pachters in die jaren hun boerderij en grond konden aankopen en baas op eigen erf werden. En als je eigen baas bent zorg je beter voor je land en de beesten.   

Fig. 2. Bergkampen 31 (Foto: Vincent Erdin, 2021)

Hoge boterprijzen; meer veeteelt

Vanaf 1840 groeide de economie sterk waardoor de prijzen van landbouwproducten snel stegen. De prijs van boter verdubbelde bijna tussen 1840 en 1875, net als de prijs van een koe. Veel boeren zetten toen een deel van hun akkers om in grasland voor de veeteelt en het  aantal koeien verdubbelde in deze periode. Op de gemengde bedrijven in onze regio verschoof dus geleidelijk het accent van akkerbouw naar veeteelt. De hoeveelheid geteelde rogge daalde en de akkerbouw kwam meer in dienst te staan van de veeteelt: granen, knollen en dergelijke werden nu vooral verbouwd als krachtvoer voor het vee en niet meer voor de verkoop. Daarmee werd de voeding van het vee beter, met name in de winter, en daardoor steeg de melkopbrengst en dus ook de productie van boter.

Ook begonnen een aantal vernieuwingen door te dringen bij met name de grotere boeren, zoals het gebruik van gier en van aangekochte meststoffen zoals thomasslakkenmeel, kainiet, beendermeel, gips, en dergelijke, ook op weides en hooiland waardoor gras- en hooiopbrengst steeg en ze meer koeien konden gaan houden. Ook maakten ze nu gebruik van geïmporteerd veevoer als rijstmeel, mais en lijnkoeken.

Fig. 3. Gierkar met pomp (Foto: privé collectie)

Hierdoor stegen de inkomens van boerenhuishoudens sterk. Het is dan ook niet vreemd dat er na 1850 veel boerderijen vergroot werden en er zelfs geheel nieuwe en grotere bedrijven werden gebouwd, om meer ruimte te scheppen voor het groeiende aantal koeien, de grotere hoeveelheid hooi, en de door paarden aangedreven karnmolen (alles met de hand doen zoals vroeger was met deze hoeveelheid melk niet meer te doen).

Fig. 4. Barsbeek 54 (Foto: Henk de Zeeuw, 2023)

Van potstal naar grupstal

Daar kwam bij dat men in deze tijd overschakelde van de traditionele potstal naar de grupstal. In de potstal “vermeerderde” men de hoeveelheid mest en ving men de urine op door regelmatig zand, rietafval en/of heideplaggen in de potstal te brengen om dan deze twee keer per jaar vanuit de potstal naar het land gebracht te worden. Maar door de gier op te vangen in een kuil of kelder en de nieuwe meststoffen was de potstal niet meer nodig en ging men over op de meer hygiënische en praktische (op stal melken) grupstal, waarbij de koeien in één van de zijbeuken op een rij stonden met de kop naar de deel met voergoot en aan de achterkant een grup voor opvang van de mest. Achter de grup werden in de muur luiken aangebracht waardoor men de mest op de daarbuiten gelegen mestvaalt kon brengen. Tussen grup en muur was vaak een smal gangetje, ook wel ‘melkpaadje’ genoemd.

Fig. 5. Plattegrond van de (afgebroken) boerderij Bonkenhave in Sint Jansklooster gebouwd in 1850, getekend door Klaas Uilkema in 1923 (aan linkerzijde de koestal met achteraan het kalverhok en varkenshokken, aan rechterzijde de karnmolen en de pomp, naast de baanderdeuren de paardenstal, in het midden de hooitas).

In de andere zijbeuk kwam dan vaak de paardenstal, de stier en turfhok en langs de achtergevel werd vaak een jongveepotstal ingericht. De hooitasvakken lagen in de middenbeuk. Direct achter de scheidingsmuur tussen woon- en bedrijfsgedeelte lag de open werkvloer met de karnmolen en de karn. Ook in deze periode waren de wanden van het bedrijfsgedeelte vaak nog van gepotdekselde planken, soms met het onderste deel in steen.

Nieuwe woonwensen
Daar de verbouw van granen in belang afnam, was de zolder boven het woongedeelte ook niet meer nodig voor de opslag van gedorst graan. Men wilde deze zolder omzetten in slaapkamers en om daar wat meer lichtinval te hebben, maakte men de ramen wat groter waarvoor de gevel hoger opgetrokken moest worden.      

Vroeger kwam de voordeur direct in de woonkamer uit. Dat gaf niet want de voordeur werd alleen gebruikt bij bijzondere gelegenheden als trouwen en overlijden. Maar onder invloed van uit de steden overwaaiende gebruiken ging men de voordeur meer gebruiken en weerde men kou en tocht door een gang tussen de kamers te maken (zie de plattegrond fig. ??).

De Hare: bouw van een ‘moderne’ boerderij aan de Grintweg

In 1883 liet Anthony baron Sloet van Oldruitenborgh een boerderij genaamd ‘de Hare’ bouwen aan de Grintweg, nu Oppen Swolle, zoals nog op een gevelsteen in de voorgevel te zien is. Het bestek geeft aan hoe men destijds een ‘moderne’ boerderij inrichtte.

Fig. 6. Boerderij ‘de Hare’, Oppen Swolle 6, gebouwd in 1883 (foto Henk de Zeeuw, 2024)

De boerderij moest aan de volgende eisen voldoen (bron: Van Rosmalen in Kondschap 2014-2: 19-22):

  • Een pannen gedekt voorhuis waarin één kamer met schoorsteen (met kleppen in het rookkanaal om spek op te kunnen hangen), twee bedsteden en een kast, en een dienstbodenkamertje met bedstee en kast.
  • Een rietgedekte schuur met plaats voor een paard-aangedreven karnmolen met stenen rondlooppad, een grupstal voor 23 koeien, een potstal voor pinken en een voor kalveren, een stal voor vier paarden, drie hokken voor varkens, een privaat en de deel met berging voor het hooi.
  • Twee kelders: één voor melk en één voor het bewaren van aardappels, waar ook een welput was gegraven (1.20 meter wijd, 11 meter diep, met koperen pomp en buis).

De bouw van de boerderij kostte fl 5074,74 (circa €2055) en moest binnen een jaar klaar zijn.