Energiebesparen

Veel voorkomende problemen bij historische boerderijen

Een probleem bij veel oudere boerderijen is dat vroeger eerst het skelet (de balkenconstructie) werd neergezet, vervolgens werd het dak gemaakt, pas dan bouwde men de muren eronder. Dan loop je tegen het probleem aan dat je de ruimte tussen de muren en het dak nooit goed dicht krijgt, daar blijft kou en tocht doorheen komen.
Andere problemen zijn o.a. dat de ruimtes in tot woning verbouwde boerderijen vaak groot zijn en er veel kubieke meters te verwarmen zijn. De buitenmuren zijn meestal geen spouwmuren. Door de tijd heen zijn er vaak veel aanpassingen in de boerderij gedaan als uiting van wijzigingen in het gebruik. Dat zorgt ervoor dat er veel verschillende muren, constructies e.d. zijn en dat maakt verduurzamen lastig.

Foto: Arco Lassche (schuur Leeuwte 51 voor verbouwing)

Toen de boerderijfunctie verviel, zijn vaak douches, keukens en woonvertrekken aangelegd in het voormalige stalgedeelte, vaak zonder goede isolerende maatregelen.
Om er te kunnen wonen moet er vaak extra daglicht in de boerderij gebracht worden, wat met veel aandacht moet gebeuren om het cultuurhistorische karakter niet aan te tasten. Soms zijn er bij eerdere verbouwingen grote doorzonramen aangebracht die het historische aanzicht van de boerderij hebben aangetast. Soms werden isolatiemaatregelen getroffen, maar zijn deze met de maatstaven van nu onvoldoende.
In oude boerderijen kom je dus vaak voor moeilijke keuzes te staan: wat weg te halen en waarop voortborduren?

Simpele besparingsmogelijkheden

Voordat je andere maatregelen overweegt, is het aan te bevelen om eerst naar de mogelijke “quick wins” te kijken, want bij de zwakste schakels is de grootste winst te behalen. Denk aan kierafdichting (rondom kozijnen, ramen, deuren en bij dak- en leidingdoorvoeren, kruipluik e.d.), warmte reflecterende folie achter de radiatoren plakken en isolatie van verwarmingsleidingen. Wanneer je een open trap naar boven hebt dan is het aanbrengen van isolerende plafondplaten op de overloop boven te overwegen.

Bron: hornbach.nl

Denk ook aan simpele energiebesparingsmaatregelen zoals: ga over op elektrisch koken, vervang TL-, halogeen- en gloeilampen door LED verlichting, plaats bewegingsmelders op gang en wc, gebruik van een energiemeter app, vervang oude energie slurpende apparaten (zoals bijv. een oude boiler, koelkast of diepvrieskist) door A+++ apparaten, breng een pompschakelaar voor de vloerverwarming aan, waardoor de pomp alleen zal draaien als er daadwerkelijk warmte wordt gevraagd, gebruik een klokthermostaat, zet de CV overdag een graadje lager, zet thermostaatkranen op alle cv-radiatoren, zet de radiatoren uit of heel laag in kamers die u niet of zelden gebruikt en in slaapkamers, ontlucht de cv-installatie goed wanneer het stookseizoen begint en laat deze waterzijdig goed inregelen, zet het tapwater van de cv en de boiler op 60 graden C., zet was- of afwasmachine aan gedurende daluren met een lager tarief.  Ook het weer terugplaatsen en gebruiken van de luiken of gordijnen, korter douchen en gebruik van een waterbesparende douchekop, laders uit het stopcontact halen na gebruik en de TV, computer en audioapparatuur uitzetten (bijv. met een stekkerschakelaar) in plaats van op de stand-by te laten staan, en gebruik van een inductiekookplaat in plaats van een gasfornuis, kunnen bijdragen om energie te besparen.

Isoleren

Voordat je start met isoleren is het belangrijk om eerst goed te kijken naar de technische staat van het dak, gevel, verdiepingsvloer, begane grondvloer en/of fundering. Bij steensmuren en gemetselde funderingen is in sommige gevallen optrekkend vocht ontstaan via de fundering naar de bovenliggende muren. Met als gevolg vochtige plekken op de binnenmuur met soms zelfs een wit waas van zoutafzetting. Het is belangrijk om dergelijke punten eerst aan te pakken voordat je de gevel van binnenuit aanpakt met isolatie. Dit geldt ook voor het dak waarbij je altijd eerst een goede inspectie op waterdichtheid maar ook op schimmels en ongedierte als houtworm, bruine spintkever of boktor dient te verrichten.
Isoleren is ook niet altijd de beste optie qua kosten en qua esthetiek. Weinig gebruikte kamers en zolders kunnen ook plaatse­lijk naar behoefte worden bijverwarmd (bijv. met infraroodpanelen) waardoor met minimale middelen gebruikscomfort ontstaat, terwijl de monumentale wanden of kap in het zicht blijven. Mede door de gigantische oppervlakten van de gevel en het dak is het zaak om goed te bekijken welke zones je wel en niet wilt verwarmen en alleen daar te isoleren waar het ook echt noodzakelijk is. Begin met de ruimten waar je het meeste verblijft te isoleren. Deze ruimte worden het meest verwarmd, dus door hier te beginnen minimaliseer je het grootste deel van het warmteverlies in de woning.

Beter glas in de ramen

Met het verbeteren van het glas in de ramen is vaak al een behoorlijke winst te behalen. Bij historische panden is de bestaande sponningdiepte van het kozijn vaak te smal om dubbel isolatie glas (thermopane, HR+, HR ++ of HR +++) toe te passen (vereist minimaal 10 mm sponningdiepte). Een optie is dan om aan de binnenzijde isolerende glasfolie aan te brengen, monumentenglas te gebruiken (heeft een coating, vanaf 3 mm sponningdiepte;) of gelaagd glas (2 platen met folie ertussen) of vacuüm glas (beide vanaf 6 mm) toe te passen. Ook voorzet (of achterzet-) ramen zijn soms een goede optie bijvoorbeeld om ook de kleine stalraampjes te isoleren. Bij een monument geldt dat de bestaande sponningen gehandhaafd moeten blijven en dus zijn dit soort oplossingen dan de aangewezen weg.

Bedenk bij de keuze van dubbelglas dat de grootste winst zit bij de overgang van enkel glas naar dubbelglas (HR+). De overgangen naar HR++ en HR +++ geven vervolgens een veel kleinere energiewinst per stap tegen hogere kosten.
Voor diverse typen stalramen zijn in aluminium uitgevoerde dubbelglas versies verkrijgbaar in de handel.  Glas in lood ramen kunnen door een specialist ín een dubbelraam gezet worden. 

Nieuw soort vacuümglas

BENGglas is sinds enkele jaren op de markt, het is een zeer goed isolerend vacuümglas. De isolatiewaarde U is 0,40 W/m2K, beter dan oudere soorten vacuümglas en triple glas.
In de praktijk zal deze waarde niet makkelijk te halen zijn door de verliezen via het kozijn of raam.
Een groot voordeel is de geringe dikte, namelijk 9 mm. Dit maakt BENGglas zeer geschikt voor renovatie projecten als daarmee de ramen/kozijnen niet hoeven te worden vervangen of aangepast.
Voor beweegbare ramen is er nog een voordeel, BENGglas heeft een relatief laag gewicht van 20 kg/m2 (HR++ glas (25 kg/m2).

De kosten van dit glas zijn aanmerkelijk hoger dan andere isolerende beglazing. Het rendabel kunnen toepassen is daarom sterk afhankelijk van te behalen kostenvoordelen bij de plaatsing van het glas.
Zie voor meer informatie BENGglas.

Bron: glasgilde.nl

Keuze isolatiematerialen

Als je zolder, vloer of muren gaat isoleren is het belangrijk om de juiste folies (wel of niet) toe te passen! Zo worden damp-open (maar waterdichte) folies gebruikt aan de koude buitenzijde van de constructie zodat damp van binnen naar buiten kan, maar vocht van buiten niet naar binnen kan. Dampdichte of dampremmende folies worden toegepast om te voorkomen dat warme vochtige lucht uit de binnenruimten op koudere plekken kan komen waar het vocht zou kunnen condenseren en de constructie aantasten. Die worden dus aan de warme binnenzijde gebruikt. Maar als er diverse balken of leidingen zijn die door de dampdichte folie heen steken dan heb je kans dat juist op die plekken vochtproblemen ontstaan. Mocht je twijfelen wat het beste is in jouw situatie neem dan altijd eerst contact op met een adviseur om te checken of wat je in gedachten hebt juist is.

Ook de juiste keuze en dikte van het isolatiemateriaal is belangrijk. Niet elk isolatiemateriaal is geschikt voor elke isolatietoepassing. Zo veranderen steenwol, glaswol, vlaswol en houtwol bijvoorbeeld onder invloed van vocht in pap dus niet toepassen op plaatsen waar vocht bij kan komen. In uw spouwmuur wilt u een isolatiemateriaal dat goed op zijn plek blijft zitten en niet na verloop van tijd naar beneden zakt. Staat uw huis in een lawaaierige omgeving, dan is het fijn als uw dakisolatie ook een geluiddempend effect heeft, waardoor uw wooncomfort nog verder wordt verhoogd.

Bron: Wiechering-gendt.nl

De isolatiewaardes van de verschillende materialen bij een bepaalde dikte lopen erg uiteen. Als vuistregel: thermische isolatiefolie (bestaand uit diverse laagjes (ca 4 cm) heeft ongeveer een gelijke isolatiewaarde als 8 cm vaste PIR platen of 16 cm steenwoldeken. Platen hebben het nadeel dat ze moeilijker zo op maat te snijden zijn dat ze precies tussen de regels te passen zijn. Dekens en folie voegen zich makkelijker zonder naden dan vaste platen (PIR, PUR, EPS, XPS). Bedenk wel dat steenwol dekens als ze ooit nat worden veel van hun isolatiewaarde verliezen en kunnen uitzakken. Wees niet te zuinig bij de keuze van het isolatiemateriaal. Goed materiaal verdient zich in het algemeen snel terug.
Er zijn isolatiematerialen op de markt die minder milieubelastend zijn, zoals cellulosevlokken (gemaakt van gerecycled krantenpapier) die je in een spouwmuur of een holle ruimte in het dak kunt blazen, isolatiedekens van schapenwol en dekens of platen van houtvezels uit duurzame beheerde bossen. Maar ook andere “biobased” materialen zijn beschikbaar op basis van vlas, lisdodde, jute, hennep, kurk, en katoen van gerecyclede kleding. Deze materialen zijn wel vaak (maar niet altijd, dus kijk goed rond) duurder dan andere materialen met dezelfde isolatiewaarden. Een ander voordeel van biobased isolatiematerialen is dat ze vaak goed bij het monumentale karakter van de boerderij passen, die veelal immers voor een groot deel uit biobased materialen (hout, riet, e.d.) opgebouwd werd.

Let op: de eigenschappen zoals de isolerende en vochtwerende werking van het isolatiemateriaal zijn belangrijk, maar de kwaliteit waarmee het wordt aangebracht is minstens zo belangrijk, met name de afdichting van naden en kieren, het voorkomen van koudebruggen en het voorkomen van condens in de constructie. 

Isolatie pannendak

Het isoleren van het dak aan buitenzijde is in de meeste gevallen ideaal, maar deze methode (“bovendaks”) is vooral aan te bevelen wanneer het dak toch al (bijna) aan vernieuwing toe is en er kunnen problemen optreden daar dit het profiel van de boerderij kan aantasten en aansluitingen op goten, dakkapellen e.d. aangepast moeten worden. Toepassing van een dunne maar hoogwaardige meerlaagse folie als isolatiemateriaal kan soms dit soort problemen ondervangen. Het dak isoleren aan de binnenzijde kan tot gevolg hebben dat de balken/sporen uit het zicht verdwijnen en vele leidingen en contactdozen en dergelijke aan gepast moeten worden. Het aanbrengen van een dunner isolatiemateriaal tussen de sporen kan dan uitkomst bieden. Waar het isoleren van het dak problemen oproept en de zolder weinig gebruikt wordt, kan isoleren van de zoldervloer de beste oplossing zijn.

Als isolatie van het dak aan de buitenkant mogelijk is, bedenk dan eerst of je ook verdere veranderingen wilt aanbrengen in het dak (bijv. een oud dakraam vervangen, schoorsteen verwijderen of een nieuw raam aanbrengen). Ook zul je veelal een omgevingsvergunning moeten aanvragen. Voor een monument geldt dat de isolatiemaatregelen het historische aanzicht en karakteristieke waarden en constructie niet mag aantasten. Dus wordt deze werkwijze bij een monument alleen toegestaan als de isolatie zo dun mogelijk uitgevoerd kan  worden. Het isoleren aan de buitenzijde van een monument wordt ook vaak afgeraden in verband met het breken van bestaande dakpannen en mogelijke problemen bij aansluitingen op goten en dergelijke.

Na het verwijderen van de oude dakbedekking wordt op de sporen een laag folie aangebracht, en worden daarover isolatieplaten (harde PIR of EPS plaat, géén dekens) gelegd. De naden daartussen worden afgedicht met kit of tape. Tegenwoordig wordt vaak gewerkt met isolatiepanelen die uit meerdere lagen bestaan, waaronder een dampopen maar waterdichte folie aan de buitenzijde. Over de isolatiepanelen komen dan de regels en panlatten en de dakbedekking. Maar er zijn ook “sandwichpanelen” te koop waarin isolatieplaat en dakbedekking geïntegreerd zijn. Doordat de hele dakbedekking vernieuwd wordt, is isoleren aan de buitenkant een stuk duurder dan aan de binnenzijde isoleren. Daar tegenover staat dat bij bovendaks isoleren de afdichting beter is dan bij aan de binnenzijde isoleren (geen onderbrekingen door balken e.d.).

Bron: dobbit.be

Wanneer je de gevel of het dak van binnenuit gaat isoleren, zul je in de meeste gevallen de balken in het zicht willen houden. Vaak wordt dan glas- of steenwol deken (maar ook wel van jute, hout, hennep, vlas) gebruikt als isolatie materiaal dat gemakkelijk tussen de balken geklemd kan worden. Belangrijk hierbij is dat het materiaal van voldoende dikte is om de nagestreefde isolatiewaarde te realiseren, afhankelijk van het gebruikte materiaal.
De isolatie kan afgedekt worden met een dampremmende folie (als niet op het isolatiemateriaal al een “cacheerlaag zit -bijv. van aluminium- die vocht tegenhoudt), voordat het afgewerkt wordt met gipsplaten, schroten of ander afwerkmateriaal. Als je wat meer balk in het zicht wilt houden, kun je de dunnere PIR-platen (vanaf 4,5 cm), aerogel (vanaf 2,7 cm), vacuüm isolatieplaten (vanaf 1,4 cm) of een multilayer folie (vanaf 0,4 cm) gebruiken. De dunnere materialen met goede isolatiewaarde zijn wel een stuk duurder.

bron: ikwoonfijn.be

Isolatie rietendak

Gaat u het rietendak vervangen dan is isoleren aan de buitenkant een goede optie. Er worden de laatste jaren veelal isolatieplaten van 18 mm dikte over de sporen gelegd. Daarop wordt dan het rieten dek gemaakt waarbij de staaldraden met ijzerdraad en rvs-schroef in de isolatieplaat bevestigd worden (gesloten schroefdak). Het voordeel van het gesloten dak is dat de isolatie redelijk tot goed is. Een mogelijk nadeel (de deskundigen zijn het hier niet over eens) is dat het rietendek aan de binnenzijde niet goed kan ventileren waardoor er vocht in het riet kan trekken en er rotting kan optreden. Om dat te voorkomen kan tussen isolatieplaat en het riet een spouw gecreëerd worden door op de isolatieplaat panlatten te maken alvorens het riet te leggen. Ook zou aan de binnenzijde van de kap een dampremmende folie aangebracht kunnen worden om te voorkomen dat vocht door de constructie in het riet trekt.
Een andere oplossing is om over de sporen een meerlaagse folie aan te brengen en daarover de regels en panlatten en dan het riet op de panlatten te schroeven.

bron: rietdekkersbedrijfmolenaar.nl

Bij het isoleren aan de binnenzijde van een rieten dak met open constructie zal men veelal tegen de panlatten tengels aanbrengen, daarop wordt een dampremmende meerlaagse folie aangebracht, en daarop weer een tengel, waarop de binnen afwerking vastgemaakt wordt. De zo gerealiseerde combinatie van twee spouwen en de folie heeft een goede isolatiewaarde en zorgt ervoor dat er geen vocht van binnenuit in constructie en riet kan komen.

Bij een rietendak met schroefplaten zijn ook andere opties mogelijk, zoals de mogelijkheid om tussen de sporen te isoleren met een natuurlijk materiaal zoals bijvoorbeeld vlas of houtwol.

Isolatie zoldervloer

Een zoldervloer op een houten draagstructuur kun je isoleren door de ruimtes tussen de vloerbalken op te vullen met isolatiemateriaal. Halfharde of zachte isolatieplaten van minerale wol zijn hiervoor erg geschikt. Het beste is om een isolatiepakket te krijgen met een dikte van 15 tot 23 centimeter. Deze dikten hebben prijs versus besparing de beste verhouding. Net als bij dakisolatie moet altijd een dampdichte folie worden aangebracht aan de onderzijde van de draagconstructie (de warme kant) maar mocht dit lastig zijn te verwezenlijken, dan wordt de folie gelegd vóór het aanbrengen van de isolatieplaten. Er ook isolatieplaten te krijgen waarop al een dampscherm is aangebracht. Naast minerale wol kan de ruimte in de vloer ook worden opgevuld met minerale vlokken of pur schuim (maar dit is moeilijker te verwijderen later, mocht dat nodig zijn). Hoe je de vloer verder afwerkt, hangt ervan af of de vloer nog beloopbaar moet zijn of niet. Aangezien een zolder weinig belopen wordt, zijn goedkope houtpanelen zoals OSB of vezelplaten een goede keuze.

bron: wonen-en-zo.nl

Muurisolatie

Het isoleren van muren zonder spouw. De meeste boerderijen van voor 1920 hebben geen spouwmuur en het isoleren zal dan dus aan de binnenzijde moeten gebeuren veelal door het aanbrengen van tengels en daartussen en daarachter aanbrengen van het isolatiemateriaal, daarover een dampremmende folie en daarover gipsplaten of andere afwerklaag.  Naast dekens van glas-, steenwol, hennep, vlas of houtvezel, worden bij voorkeur ook harde platen van PIR, EPS, XPS, Resol, e.d. gebruikt omdat die wat minder ruimte vergen. Er zijn ook all-in isolatieplaten in de handel die al een dampwerende laag hebben en waarop een gipsplaat is vastgelijmd. Van tevoren ook goed bedenken hoe leidingen en contact dozen door de voorzetwand zullen komen en hoe de aansluiting bij kozijnen en deuren aangepast zal moeten worden.
Bij een steensmuur zonder vochtproblemen kan men ook blokken cellenbeton of hennep direct tegen de muur lijmen en daar direct de afwerking opzetten. Werkt snel maar de isolatiewaarde is wel iets lager. De houten I-liggers volblazen met thermoflock cellulose is
Mochten de muren van uw boerderij wel een spouw hebben, vul deze dan bij voorkeur met EPS parels of vlokken en niet met PUR schuim. Die parels kleven aan elkaar en vormen een plaat die niet kan uitzakken mocht er vocht in de spouw komen. PUR heeft droog een hogere isolatiewaarde en zorgt tevens voor een goede luchtdichting, maar isoleert minder goed als het nat wordt en kan dan ook uitzakken. Bovendien kan pur als dit niet goed mengt schadelijke gassen in de woning geven. Het hangt dus van de lokale situatie af wat de voorkeur; Laat u goed adviseren door een erkend bedrijf!

Bron: architectura.be

Vloerisolatie

Hoewel men geneigd is om de isolatie bij het dak te beginnen (alle warmte trekt immers naar boven) kan het soms goed zijn om eerst aan vloerisolatie te denken. Bijvoorbeeld: zolder wordt weinig gebruikt en de slaapkamers worden maar spaarzaam verwarmd omdat u graag koel en met het ram open slaapt. In de woonkamer wilt u het lekker warm hebben maar bij slecht geïsoleerde vloeren zal sprake zijn van optrekkende kou en bent u geneigd de verwarming hoger te zetten dan bij een goed geïsoleerde vloer het nodig zou zijn.        

Een vloer (hout of beton) met kruipruimte – met voldoende hoogte- kan geïsoleerd worden door aan de onderzijde van de vloer isolatie aan te brengen (bijv. thermokussens of -folie,  EPS of XPS isolatieplaten, glas-/steenwol dekens). Bij een houtenvloer moet het materiaal wel ademend (damp open) zijn om te voorkomen dat vocht in de houten constructie blijft hangen.

Ook kan men een dampdichte laag op de bodem van de kruipruimte aanbrengen (EPS isolatie chips of -parels), maar dan moet er wel voldoende ventilatie in de kruipruimte zijn. Isolatie van de bodem van de kruipruimte draagt minder bij aan de isolatie van de woning dan isolatie van de onderzijde van de vloer, maar kan een uitkomst zijn als de kruipruimte niet hoog genoeg (minder dan 35 cm hoog) is en als er sprake is van optrekkend vocht uit de bodem.
De keuze van de juiste optie hangt van veel factoren af, onder andere: toegankelijkheid en hoogte van de kruipruimte, veel last van vocht of niet, veel of weinig leidingen in de kruipruimte, aanwezigheid muizen, ventilatie, e.d.?

bron: isolatiespecialist.nl

In veel boerderijen ontbreekt een kruipruimte en zult u de vloer aan de bovenzijde moeten isoleren, maar dat is wel een fikse klus. De vloerbedekking de plinten en de deuren moeten eerst verwijderd worden. Kijk voor u begint ook even naar de verwarmingsbuizen (waar moeten die door de isolatie en nieuwe vloer komen? Moeten de radiatoren ook omhoog geplaatst?). Vervolgens brengt u over de vloer tot ongeveer tien centimeter tegen de wand, een dampdichte folie aan. waarvan de voegen goed afgedicht moeten worden. Dat geldt ook voor de randen van de folie nabij de wanden. Op de folie plaatst u een raamwerk van balkjes, die net zo hoog zijn als het isolatiemateriaal dik is (dekens van glas of steenwol) dat daartussen geplaatst wordt. In plaats van een raamwerk van balkjes en zacht isolatiemateriaal kunt op de folie ook drukvaste isolatieplaten leggen, bij voorkeur in twee lagen die elkaar overlappen, zodat de naden afgedekt zijn.  
Over de isolatie komt de dekvloer van vloerdelen of plaatmateriaal. Tot slot snijdt u het overtollige folie weg en plaatst u plinten en – ingekorte – deuren terug.
Een andere optie is om de bestaande vloer eruit te halen en te vervangen door vloerdelen die al aan de onderkant geïsoleerd zijn.

Bij monumenten is de vloer vaak beschermd en is bovenstaande oplossing niet mogelijk. In oude boerderijen is bovendien vaak een beton-op-zand vloer toegepast. In deze gevallen kun je de vloer van bovenaf isoleren met bijvoorbeeld vacuüm isolatieplaten (ook wel VIP panelen genoemd). Dit zijn platen met een micro-poreuze kern die in een dun, gasdicht omhulsel is ingesloten en uitermate geschikt is in situaties onvoldoende ruimte is om traditioneel te isoleren door dat het een minimale dikte (2,5 cm) combineert met een hoge isolatiewaarde (Rc van 3,5). Een beton-op-zand vloer kun je er eventueel uithalen en vervangen door een schuimbetonvloer maar dat is een duurdere oplossing dan VIP platen en je zult dan de bodem een stukje moeten uitdiepen als je onder de deuren wilt blijven. 

Het is een optie om de vloerisolatie te combineren met de aanleg van vloerverwarming: op de bestaande draagvloer komt dan een isolatie laag van PUR of EPS platen, daarop een dampremmende folie en daarop de dekvloer met de leidingen van de vloerverwarming en daarop de vloerafwerking (tegels, laminaat, tapijt, ..).

Bron: baltussenvloeren.nl

Of je vervangt de bestaande vloer door een schuimbeton vloer die over de vloerverwarming wordt gestort en daarop een cementdekvloer of een (duurdere) anhydriet deklaag (een gipslaag met hoge thermische geleiding) waarop de door u gewenste afwerking kan worden aangebracht (hout, PVC, laminaat, tapijt, e.d.).

Ventilatie

Bij het isoleren van uw pand is het belangrijk dat er ook goed gekeken wordt naar de ventilatie en de daarvoor nodige maatregelen. Dit om vochtophoping, condensatie en vervolgschade te voorkomen.  Voordat we gingen isoleren had het huis veel natuurlijke ventilatie door kieren onder deuren, rond ramen en in het dak. Door het isoleren raken we die ventilatie kwijt, maar dat moeten we dan wel compenseren door zelf regelmatig een raam open zetten (zeg een kwartier per dag, en zeker in keuken en douche; ‘s winters bij voorkeur op het warmst van de dag), het aanbrengen van ventilatieroosters (eventueel in de ramen als die toch vervangen worden) of door het installeren van een mechanisch ventilatiesysteem.
De afvoer van vocht is niet alleen van belang voor het binnenklimaat en het gebouw zelf maar ook van belang voor het energieverbruik. Het kost immers veel meer energie om vochtige lucht op te warmen dan droge lucht. Bovendien vervuilen we de binnenlucht van ons huis doordat we koken, douchen, zweten en ademen en ontstaan er vochtproblemen die weer kunnen leiden tot schimmelgroei. Het gebruik van open haard, houtkachel, schoonmaakmiddelen en luchtverfrissers kunnen -zonder ventilatie- leiden tot hoofdpijn, benauwdheid, dufheid, irritatie van keel, neus en ogen. Goed ventileren is dus noodzakelijk.

Mechanische en balans ventilatie

Waar de natuurlijke ventilatie onvoldoende is, u ziet bijvoorbeeld condens vocht op raam of kozijn of zwarte schimmelspikkels op de muur of u gebruikt een vocht- en CO2 sensor, zijn andere maatregelen noodzakelijk, zoals het aanbrengen van mechanische of balans ventilatie. Bij de mechanische ventilatie wordt alleen de afzuiging van de binnenlucht geregeld, bij de balansventilatie wordt zowel de aanvoer van frisse lucht als de afvoer van binnenlucht mechanisch is geregeld, waardoor er minder gevoel van “tocht” in huis is. Dat kan met een centrale box die middels buizen naar alle kamers vocht en CO2 op het gewenste peil houdt, of op decentrale wijze door alleen in de kamer(s) waar men ventilatie nodig acht een ventilatiebox met buis naar buiten te installeren. De ventilatieboxen vergen regelmatig onderhoud.

De balansventilatie kan ook van warmte terugwinning worden voorzien, waarbij warmte uit de uitgaande lucht wordt teruggewonnen en teruggegeven aan de ingaande lucht, waardoor een aangenamer klimaat ontstaat en op stookkosten wordt bespaard. Het behoeft veelal advies van een deskundige om te bepalen wat voor uw woonsituatie (mate van isolatie van de boerderij, de indeling, al/niet beschikbare ruimtes voor wegwerken van de buizen, gebruik van de ruimtes, en dergelijke) de beste oplossing is. Bij een monument gelden vaak speciale voorwaarden. Check bij de gemeente.  Bron: sanitairwinkel.nl

Verwarming

In een boerderij is het belangrijk om gericht te verwarmen. Soms zijn er hoge plafonds of loopt het trapgat door tot boven waardoor veel warmte van de begane grond verdwijnt naar de nok. Door de verwarming gericht te gebruiken in de belangrijkste ruimtes zal het verlies minimaal blijven.

Cv-combiketel

De combi centrale verwarmingsketel geeft warmte voor de woning en warm tapwater voor badkamer en keuken. Wanneer de watervraag erg groot is (bijv. voor stortdouche of bad) of de afstand van cv-ketel naar de gebruikspunten erg groot is, wordt er vaak een boiler dichtbij één of meer van die punten bijgeplaatst, die het tapwater constant op minimaal 60 C houden, watt behoorlijk veel stroom kost. Het rendement van de cv installatie wordt ook lager als de radiatoren hoog aan staan. Dus per kamer goed kijken wat de beste stand van de radiatoren daar is gezien het gebruik van die kamer, is aan te raden. Ook het waterzijdig goed inregelen van de cv door de installateur (de verdeling van de warmwaterflow over de verschillende delen van het huis) kan het rendement van de cv ketel verhogen.

Biomassaverwarmingsketel

Vaak wordt in boerderijen een biomassaverwarmingsketel toegepast, ook omdat er in boerderijen meer ruimte is voor dergelijke installaties. De brandstof kunnen pellets,  houtblokken, houtchips of een combinatie van deze zijn, afhankelijk van het type ketel. Een biomassaketel werkt op een vergelijkbare manier als conventionele cv-ketels , waarbij brandstof wordt verbrand om warmwater te produceren om de woning te verwarmen. Als de ketel wordt gecombineerd met een buffervat wordt ook warm tapwater geleverd.
Biomassaketels zijn normaal gesproken aanzienlijk groter dan de conventionele cv-ketels door het grotere volume van de brandstof en het aan de ketel gekoppelde voorraadvat en (zo gewenst) de vulautomaat. Een biomassaketel is een milieuvriendelijk alternatief voor een centrale verwarming op gas of olie mits houtpellets of -blokken uit duurzame bron worden gebruikt. Eens in de vier weken moet de biomassaketel worden ontdaan van de as, die op een composthoop kan worden gedaan.
Biomassa-cv-ketels zijn behoorlijk prijzig, maar bij de huidige gasprijzen op de lange duur mogelijk een economische oplossing, maar in de praktijk valt dit vaak wat tegen omdat de aanleg vaak maatwerk is en de prijzen van pellets/houtblokken ook omhoog gaan.

Bron: erfgoedstem.nl
Warmtepompen

Warmtepompen zijn er in diverse soorten en maten elk met hun eigen voor en nadelen, die we hier slechts kort kunnen aanduiden. In het algemeen geldt dat toepassing van warmtepompen  vereist dat de woning goed geïsoleerd en geventileerd is. Dat geldt met name voor de geheel elektrische warmtepomp (geen aanvulling door cv-ketel meer). Bij redelijk goede isolatie is een hybride warmtepomp (in combinatie met bestaande of nieuwe CV ketel) aan te bevelen.
De werking van warmtepomp is te vergelijken met de werking van een koelkast. Een koelkast onttrekt warmte binnen in de koelkast en geeft deze af aan de buitenkant. Een warmtepomp haalt warmte uit de buitenlucht/water/bodem door middel van een warmtewisselaar (de verdamper) die is gevuld met een koelmiddel. Dit koelmiddel verdampt met behulp van de warmte uit de buitenlucht/water/bodem. De ontstane damp wordt door een compressor samengedrukt, waarbij energie vrijkomt. Deze energie wordt in de vorm van warmte via een tweede warmtewisselaar in de binnenunit (de condensor) afgegeven aan het water van de verwarmingsinstallatie.

Bron: Energievergelijk.nl

Een warmtepomp werkt met lagere temperaturen (35 tot 55 graden) dan je cv-ketel (60 tot 80 graden). Je verwarmingselementen moet daarom genoeg oppervlak hebben om je huis toch warm te krijgen. Vloerverwarming en wandverwarming zijn heel geschikt in combinatie met een warmtepomp. Maar bestaande radiatoren zijn veelal te klein of te dun. Je kan dan radiatoren vervangen door convectoren of speciale radiatoren voor een lage temperatuur.

Om de efficiëntie van warmtepompen te kunnen vergelijken wordt bij elk apparaat de COP (Coëfficiënt of Performance) genoemd. Dit getal geeft de verhouding weer tussen de energie die nodig is om warmte op te pompen uit een bron ten opzichte van de warmte die het systeem produceert. Stel we stoppen 1 kW aan elektriciteit in de warmtepomp en we krijgen daar 4,5 kW aan warmte voor terug. Dat is een rendement van 4,5, oftewel de COP is 4,5.

Het is aan te raden om een warmte transmissieberekening te laten maken door een adviesbureau, zodat u zeker weet dat u een warmtepomp koopt van de juiste capaciteit: niet te groot (te hoge kosten) en niet te klein (krijg je het huis niet warm).

Bij alle type warmtepompen is het van groot belang dat de geïnstalleerde apparatuur goed wordt afgesteld. Denk o.a. aan de afstelling van de HR+ ketel en de warmtepomp, keuze van de watertemperatuur, en het inregelen van radiatoren en vloerverwarming.

Het meest gangbare type is de lucht /water warmtepomp met een buitenunit waarin warmte aan de buitenlucht wordt onttrokken en een binnenunit waarin die warmte afgegeven wordt aan het water van de verwarmingsinstallatie. Bij monoblock systemen zitten alle onderdelen zoals de compressor, expansieventiel, condensor en de verdamper buiten in de monobloc unit en lopen alleen de leidingen naar binnen. Dit is dus een optie voor als er binnen weinig ruimte is voor een binnen unit

bron: greenchoice.nl

Een volledig elektrische warmtepomp wordt gecombineerd met een voorraadvat voor warm tapwater en is daarom ongeveer zo groot als een hoge koelkast. Voor de volledig elektrische heb je een zware aansluiting op het elektriciteitsnet nodig 3×25 Ampère en bij voorkeur een aparte groep voor de waterpomp in de meterkast.
De hybride warmtepomp wordt verbonden met een conventionele cv-ketel, welke bijspringt als meer warmte gevraagd wordt dan de warmtepomp kan leveren en het tapwater levert voor keuken, wc en badkamer. Als gekozen is voor een monoblock systeem moet de unit binnen paar meter van de cv-installatie geplaatst kunnen worden. Het is te overwegen om te kiezen voor een hybride waterpomp die al is voorbereid voor “all electric” in het geval dat u in de toekomst een volgende stap wilt zetten naar gasloos verwarmen.

Van de lucht-lucht waterpomp noemen we twee varianten. Bij een ventilatiewarmtepomp wordt warmte uit warme ventilatielucht onttrokken voordat deze naar buiten geleid wordt en deze warmte wordt afgegeven aan de frisse lucht die naar binnen wordt geleidt waardoor de cv ketel dan dus minder hard hoeft te werken. Een ventilatiewarmtepomp kan alleen toegepast als er een mechanisch ventilatiesysteem aanwezig is (voor éénkamer of met buizen naar diverse kamers). Dit systeem is vooral geschikt voor kleinere huizen. De hoeveelheid ventilatielucht is beperkt, waardoor het vermogen van de ventilatiepomp niet heel groot is. Een ventilatiewarmtepomp werkt dus altijd samen met een conventionele cv- ketel (verwarming) en/of een boiler (tapwater). Voor dit systeem is geen buitenunit nodig.
Ook met een airco kun je verwarmen door deze omgekeerd laat werken: de koude buitenlucht wordt verwarmd in de buitenunit en met een ventilator naar binnen geblazen. Als bijverwarming kan de airco goed dienen, maar als hoofdverwarming is de capaciteit bij lagere temperaturen veelal onvoldoende. Bovendien, als je meerdere kamers wilt verwarmen, moet je in elke kamer een ventilator installeren die met een buis op de buitenunit wordt aangesloten. Dat is vaak een probleem. Bovendien geven de ventilatoren “geruis” en “tocht”.

Een bodem- (water-water) warmtepomp gebruikt warmte die is opgeslagen in de grond en het grondwater. De in de bodem opgeslagen warmte (altijd 10-12 graden C.) wordt opgenomen door de vloeistof die door het gesloten circuit van het warmtepompsysteem in de grond circuleert. Vervolgens waardeert een compressor de opgenomen energie op door de druk te verhogen. De warmte die ontstaat wordt afgegeven aan het afgiftesysteem in de woning, meestal de vloerverwarming.

Het circuit in de bodem kan verticaal of horizontaal zijn. Bij een verticaal circuit worden -afhankelijk van de grootte van het huis- één of twee kunststof buizen ca 100 meter de grond in geboord door een gecertificeerde bronboorder. Bij een horizontaal circuit wordt een buis onder het erf op een diepte van ca 1,5 – 2,5 meter in horizontale lussen gelegd, veelal meer dan 100 m2. De grond boven een horizontaal systeem mag niet begroeid worden met  diepwortelende bomen of struiken. Een horizontaal circuit van tyleenslang is de goedkoopste oplossing.

Bron: klimaatexpert.com

Er zijn ook bodemwarmtesystemen waarbij de buizen opgerold in een korf of opgesloten in een heipaal worden aangebracht of die de warmte aan een beek of rivier onttrekken.

De aanlegkosten van een bodemwarmtesysteem zijn een stuk hoger dan die van andere typen warmtepompen, maar daar staan een hoog rendement en een lange levensduur tegenover (meer dan 25 jaar). Een voordeel is dat de bodemwarmtepomp ’s zomers ook gebruikt kan worden om te koelen, gewoon door de circulatiepomp aan te houden (passief koelen) daar de bodem dan kouder is dan de buitenlucht.

In verband met de waterwinning is in een deel van onze regio een verbod op aanleg van een bodemwarmtesysteem (zie kaartje).

bron: Vitens.nl
Infraroodverwarming

Infraroodpanelen kunnen gebruikt worden voor verwarming van minder vaak gebruikte ruimtes (studeerkamer, badkamer, zolderruimte) of als bijverwarming. Er zijn wand- , plafond- en staande panelen. Infraroodpanelen werken op elektriciteit en zijn vooral geschikt om één plek in huis te verwarmen, zoals een bureau, zithoek of eettafel, met langgolvige infraroodstraling. Doordat alleen de mensen en voorwerpen in het gebied onder óf naast het paneel verwarmd worden, gaat er geen energie verloren aan het opwarmen van de lucht om je heen. Infraroodverwarming, net als een warmtepomp, is met name dan duurzaam indien zelf stroom wordt opgewekt middels zonnecollectoren of windmolen. Een infraroodpaneel is duurder dan een straalkachel maar gebruikt minder stroom dan zo’n straalkachel (10-25 %). Bedenk wel dat je huis verwarmen met alléén infraroodpanelen een heel stuk duurder zal zijn dan gewoon de cv aanzetten (en de cv is behagelijker). Verwarming met infraroodpanelen kost ongeveer 2,5 keer zoveel als verwarming met aardgas. Om die reden is ook vloerverwarming met infraroodfolie als hoofdverwarming niet aan te bevelen: een traditionele vloerverwarming in combinatie met een warmtepomp is circa vier keer zo zuinig. Maar in monumenten kan het in bepaalde gevallen een oplossing kan zijn in een bepaalde kamer daar het een dunne oplossing is en snel opwarmt.

Bron: infraroodpaneel.nl

Zonneboiler

Een zonneboiler bestaat uit een of meerdere zonnecollectoren op het dak, waarin een transport vloeistof die energie aan het zonlicht ontleent, een warmtewisselaar en een geïsoleerd voorraadvat waaruit je warm water kunt tappen. Veelal wordt een zonneboiler gekoppeld met een CV of warmtepomp. Op zonnige dagen wordt al het tapwater voor douche/bad en keuken verwarmd door de zonneboiler, waardoor gas bespaard wordt. Op dagen met weinig zonlicht springt -waar nodig- je cv-ketel of warmtepomp bij. Denk voor een huishouden van 4 personen aan een vat van 200 liter en 4 m2 zonnecollectoren. Wanneer u er vooral op uit bent om gas te besparen dan is een zonneboiler een optie, maar een zonneboiler is een stuk minder efficiënt in het opwekken van elektriciteit dan zonnecellen. Reken zeker eens goed door of de investering in de looptijd terugverdiend kan worden.

Bron: techniq.nl

Het conventionele type zonneboiler is de vlakke plaatcollector waarbij buizen met transportvloeistof op het dak onder een vlakke glasplaat liggen. Dit type heeft een relatief goede opbrengst heeft bij gemiddelde zoninstraling, maar minder bij veel of juist weinig zonlicht. Een voordeel is dat de panelen in het dak geïntegreerd kunnen worden.
Het vacuüm buistype bestaat uit een rij dubbelwandige glazen vacuüm buizen met een coating aan de binnenkant waardoor de vloeistof sneller opwarmt. Dit type collector weet het zonlicht effectiever te benutten ook als het bewolkt is of de zon laag staat, dus in de andere seizoenen dan de zomer. Daardoor werkt dit type en goed in Nederlandse omstandigheden en zijn ze efficiënter dan een vlakke-plaatcollector. Ze zijn wel duurder en lastiger in een dak te integreren. Er zijn ook varianten met een metalen pijp in de glazen pijp.

 

Elektriciteit

Zonnepanelen

Een zonnepaneel bevat cellen die het zonlicht omzetten in elektriciteit. Een omvormer, die de gelijkspanning van de zonnecellen omzet in de wisselstroom van het stroomnet, verbindt de zonnepanelen met een kabel op een aparte groep in de meterkast. Een monitoring systeem geeft aan wat het systeem in de praktijk aan stroom levert.

Hoeveel zonnepanelen je nodig hebt om in jouw behoefte aan elektriciteit te voorzien hangt met name af van: je dakoppervlak, de zoninstraling (stand van het dak t.o.v. de zon en hellingshoek; bomen om het huis?), de hoeveelheid stroom die in je woning wordt verbruikt en het rendement van de zonnepanelen die je kiest.

Bron: nps-duurzaam.nl

Het soort paneel wordt voornamelijk bepaald door het materiaal waar de zonnecellen van vervaardigd zijn. Er zijn op dit moment 4 typen zonnepanelen op de Nederlandse markt te koop: monokristallijn, polykristallijn, amorf silicium (dunne film) en glas-glas panelen. Polykristallijn is goedkoper dan mono en goed voor grote oppervlaktes. Monokristallijn is duurder en heeft een hoger rendement. Amorf heeft een laag rendement, maar is buigzaam en dus bruikbaar op niet-vlakke oppervlakten. Glas-in-glas is het duurste maar gaat ook het langste mee en heeft een hogere opbrengst op latere leeftijd.

Het vermogen van een zonnepaneel wordt uitgedrukt in Wattpiek (Wp). Dit is het maximale vermogen dat de zonnepanelen op kunnen wekken onder ideale omstandigheden. Anno 2022 zijn zonnepanelen met een standaard formaat (100 x 165 cm) met een piekvermogen van ongeveer 300-350 Wp gangbaar. Er zijn echter ook panelen van 400 Wp (vaak 100 x 200 cm.) die aan te bevelen zijn wanneer de beschikbare ruimte te klein is voor het gewenste aantal standaard panelen (maar wel extra kosten). Er zijn ook panelen met grotere maten en dus meer Wp om te gebruiken als die maat beter past op jouw dak ( maar wel zwaarder en duurder).
Om te bepalen hoeveel zonnepanelen u (ruwweg) nodig hebt, vermenigvuldig je jouw jaarverbruik met 1,1 en deelt de uitkomst door de Wp van de door u gekozen zonnepanelen. Bijv. bij een jaarverbruik van 4000 Kwh per jaar en panelen met een Wp van 300 heeft u (afgerond) 15 panelen nodig. De capaciteit van de omvormer wordt meestal gesteld op 10 % van de maximale capaciteit van het systeem, omdat het maximum in de praktijk nooit gehaald wordt.
Naast het vermogen van een zonnepaneel is het raadzaam bij de aanschaf te letten op de vermogensgarantie. Fabrikanten van zonnepanelen geven garantie op het minimale vermogen dat hun panelen na x jaar (bijv. 90% na 15, 20 of 25 jaar) zullen hebben.
Bij de aankoop van een zonnepalen systeem is het ook belangrijk te letten op de garanties die installateurs geven, met name op bekabeling, bevestigingsmateriaal en connectoren omdat daarin vaak storingen door vochtproblemen optreden als de materiaalkeuze en installatie niet 100 % is geweest. Veel installateurs geven daarop niet meer dan 2 jaar garantie. Maar er zijn markpartijen, waaronder bedrijven aangesloten bij de Stichting Garantiefonds Zonne Energie, die 25 jaar garantie geven op de bekabeling en bevestigingsmateriaal. De garantie op de zonnepanelen ligt meestal op 10 jaar, maar 12 jaar en langer komt voor. De garantie op de omvormer is meestal 5 jaar.

Bron: Schinkeltechniek.nl

Er zijn ook zonnedakpannen te koop met een vermogen van 8-10 Wp per pan wat neerkomt op zo’n 120-170 Wp op het oppervlak van een standaard zonnepaneel.

Bij een oudere boerderij zien we op het dak vaak een rieten kap of oude pannen met historische waarde. In sommige gevallen betreft het een monument of beschermd dorpsgezicht waarvoor het plaatsen van zonnepanelen aan strikte regels is gebonden. Zorg dus altijd wanneer je zonnepanelen gaat plaatsen dat je vooraf een check doet bij de gemeente welke restricties er gelden en of  je omgevingsvergunning plichtig bent of niet.

Vaak wordt gedacht dat zonnepanelen alleen interessant zijn bij een dak op het zuiden. Maar ook de combinatie van zonnecellen op de Oost- én Westgevel van een woning kunnen goede resultaten worden bereikt: de opbrengst is dan regelmatiger gedurende de hele dag en sluit beter aan bij het elektriciteitsgebruik. Bovendien is de waarde van de opgewekte energie hoger zeker bij de toekomstige invoering van dynamische beprijzing.
Bij plaatsing Zuidoost of Zuidwest is er veelal 10% minder opbrengst. Bij alleen Oost óf West is 20 % minder opbrengst waarschijnlijk. Ook de schaduw van bomen kan de opbrengst negatief beïnvloeden.

Indien je geen panelen op je eigen dak mag (monument) of wilt (rieten dak) plaatsen, dan kan gedacht worden aan zonnepanelen op een bijgebouw of een opstelling op het erf. Ook kan worden meegedaan met een energiecoöperatie die elders met zonnepanelen energie opwekt en waarvoor u via de “postcode regeling” jaarlijks van uw energieleverancier een korting op de energiebelasting krijgt variërend met de door uw panelen opgewekte KWh. In sommige gevallen is het mogelijk om het aanbrengen van zonnepanelen te combineren met het verwijderen van asbest (met subsidie).

Doordat de daken van boerderijen en bijgebouwen vaak heel groot zijn kan ook gedacht worden aan teruglevering aan het net. Bij een groter aantal zonnepanelen is veelal een (dure) verzwaring van de aansluiting in de meterkast nodig en met hoge jaarlijkse kosten aan vastrecht wordt de installatie verliesgevend. Via de postcoderoosregeling zou je anderen kunnen laten participeren in je dak, maar feitelijk is dan de oprichting van een energiecoöperatie nodig. Dus in de praktijk kun je veelal beter niet meer panelen plaatsen dan bij een standaard 3*25A aansluiting mogelijk is en aansluit bij het eigen verbruik.

Er zijn tegenwoordig gevallen waarbij er overbelasting van het (laagspannings-) net optreedt waar uw zonnepanelen de niet door u gebruikte stroom aan leveren. Overbelasting kan bijvoorbeeld ontstaan in een straat waar veel zonnepanelen liggen, vooral in de zomervakantie als de opbrengst hoog en het verbruik laag is. Als de spanning boven de 253 Volt (230 + 10%) komt, dan schakelt de omvormer bij uw panelen uit totdat er geen overspanning meer is. De zonnepanelen leveren dan tijdelijk geen elektriciteit, ook niet aan uw eigen apparaten. En u krijgt dan op dat moment ook geen vergoeding voor het  terugleveren aan het net (en betaalt voor de gebruikte stroom). Maar zo’n situatie komt maar in 0,2 % van alle daken met panelen voor en de invloed van een dergelijke tijdelijke storingen op het rendement van uw panelen is echter zeer beperkt (max 1 % ?) en geen reden tot zorg. Het aanschaffen van batterijen om zulke storingen op te vangen, lijkt tot nu toe niet kost efficiënt. Beter kunt u ervoor zorgen dat u huishoudelijke machines aanzet en de auto oplaadt als de zon schijnt. De zonnestroom gebruikt u dan direct en gaat niet het net op.

Het aanschaffen van een batterij om tijdens piekperioden door de zonnepanelen geleverde energie op te slaan, heeft bij de huidige stand van de techniek en prijzen geen economisch voordeel (heel lange terugverdientijd).

PVT-panelen

Deze panelen combineren een PV-systeem (zonnepanelen) met een Thermisch systeem: een systeem van buizen met een koudemiddel dat zich achter de zonnecellen bevindt. Het koudemiddel neemt warmte van de zonnecellen op dat via een warmtewisselaar wordt afgegeven veelal aan een boilervat (warmwater) en soms aan CV of warmtepomp (verwarming woning) en zo gas bespaart. Door het thermische gedeelte worden de zonnecellen minder heet en daardoor bereiken deze een hoger rendement. PVT panelen worden vooral gebruikt als de ruimte op het dak te beperkt is om meer zonnepanelen te plaatsen en daarmee andere warm water/warmte oplossingen te realiseren, want PVT panelen zijn erg prijzig.

bron: warmtepomp-weetjes.nl

Bronnen van Informatie en advies

Het is raadzaam je goed te verdiepen in de mogelijkheden voor verduurzaming en energiebesparing en de te verwachten investeringskosten, terugverdientijd en effecten van de diverse maatregelen (energiebesparing, toegenomen comfort, milieueffecten, e.d.) voor u over gaat tot het uitvoeren van aanpassingen. Het loont in veel geval om een adviseur in te schakelen om met u de opties te bekijken en door te rekenen.

De toolkit duurzaam erfgoed (www.toolkitduurzaamerfgoed.nl) geeft een goed overzicht van de vele maatregelen die u zou kunnen treffen om uw huis te verduurzamen en energie te besparen.

Ook de Groene Menukaart (www.degroenemenukaart.nl) geeft een goed overzicht van de diverse maatregelen die u kunt treffen. Per maatregel kunt u daar ook bekijken hoeveel energiewinst die u kan opleveren, wat de waarschijnlijke kosten zijn en wat de subsidiemogelijkheden zijn voor de door u geselecteerde maatregelen.

Het regionaal energie netwerk (https://kennisbank.regionaalenergieloket.nl/) heeft een kennisbank die veel informatie geeft over diverse aspecten van energiebesparing: isolatie, ventilatie, zonnepanelen, warmtepompen, duurzaam glas, e.d.

Voor eenvoudige energiemaatregelen kunt u gratis advies krijgen van  energiecoaches (vrijwilligers) zie: https://duurzaamsteenwijkerland.nl/energiecoaches)

Voor grotere energiebesparings- en duurzaamheidsmaatregelen aan uw woning kunt u de hulp in van een adviseur inroepen die een duurzaamheidsadvies uitbrengt en u vertelt over de historische waarden van uw pand, technische mogelijkheden voor verduurzaming en eventuele nodige vergunningen. Op  https://regionaalenergieloket.nl/ is een afdeling “vakspecialisten” waarin u per thema en postcode kunt zoeken naar vakmensen in onze regio.

Zie ook het onderdeel “Vakmensen in de regio” op deze website.

Geraadpleegde bronnen