Onderhoud
In dit onderdeel hebben we een aantal aandachtspunten en tips samengebracht die voor eigenaren van een historische boerderij van belang kunnen zijn bij het onderhoud van hun pand. Dit doen we rond de volgende thema’s, achtereenvolgens: Regelmatige inspectie, Fundering, Kapconstructies, Het gebinte, Daken, Gevels, Houtwerk, Hang- en sluitwerk en ander ijzerwerk, Ramen, Goten en afvoeren, Kelders, Vloeren, Pleisterwerk, Plafonds, Kast- en bedsteewanden, Tegels.
Regelmatige inspectie
Goed en regelmatig onderhoud én goed ventileren zijn essentieel om het verval van uw boerderij te voorkomen.
Goed onderhoud betekent goed conserveren en op tijd waar nodig repareren. Regelmatige inspectie is de basis van goed onderhoud. Loop regelmatig uw pand eens met een kritische blik door en omheen, kijk daarbij ook omhoog en pak er zo nodig de ladder bij om een goot, houtwerk, of metselwerk van nabij wat beter te bekijken.
Wanneer u een oud pand voor het eerst betrekt, zou een vakman kunnen helpen om een onderhoudsplan op te stellen en aan te geven welke klussen het eerst opgepakt moeten worden en welke nog even kunnen wachten. Als u meeloopt bij de inspectie leert u ervan wáár u vooral moet kijken en waaróp u met name moet letten, zoals bijvoorbeeld: zijn er plekken met optrekkend vocht of condensatie? Liggen de pannen recht? Loopt er geen goot over na een regenbui? Vertoont het metselwerk scheuren? Vertoont het schilderwerk tekenen dat het bijgewerkt moet worden? Trekt er vocht op in de muren?
Door planmatig onderhoud en regelmatige inspectie gaat uw pand langer mee en is ingrijpen minder vaak nodig en komt u niet voor onverwachte ‘verrassingen’ en plotselinge hoge onderhoudskosten te staan.

Voor monumenten gelden bijzondere regels ten aanzien van het onderhoud. Op www.monumenten.nl vindt u de uitvoeringsrichtlijnen en brochures over het hoe en wat rondom het onderhouden en reinigen van uw monument, ontwikkeld door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Voor onderhoud en restauratie van een monument zijn vaak subsidiemogelijkheden. Controleer altijd bij de gemeente en bij het Restauratiefonds van welke maatregelen u mogelijk gebruik kunt maken. Eigenaren van gemeentelijke en rijksmonumenten kunnen zich desgewenst aanmelden bij de provinciale Monumentenwacht. Deze organisatie zal het pand regelmatig inspecteren, waar nodig kleine noodreparaties uitvoeren en – misschien wel het belangrijkste – een overzichtelijk, deskundig en onafhankelijk advies uitbrengen voor optimaal onderhoud.
Fundering
De staat van de fundering en van het onderste deel van de gevel zijn zeer bepalend voor de staat van het hogere deel van de gevel. Als de fundering is gescheurd of verzakt, of als de onderzijde van de gevel erg vochtig is, heeft dat vaak schadelijke gevolgen voor het bovenliggende metselwerk, de kozijnen, opgelegde balklagen, enzovoort.
Omdat er oorspronkelijk veel in hout werd gebouwd, waarbij de gevel als het ware werd opgehangen aan de rechtopstaande stijlen van het vierkantwerk, richtte de aandacht zich aanvankelijk vooral op het funderen van deze staanders. Hiervoor gebruikte men aanvankelijk grote veldkeien, later bouwde men zogeheten poeren: gemetselde stapelconstructies van baksteen, die naar beneden breed uitlopen.


Dankzij de poeren blijven de palen beter op hoogte, maar een probleem blijft dat palen ongelijkmatig ten opzichte van elkaar kunnen verzakken, waardoor de (gevel)constructie ontwricht kan raken. Op het hoge land van Vollenhove werd meestal direct op de ondergrond gebouwd (een ondiepe fundering ook wel ‘op staal’ genoemd).
Boerderijen gebouwd met een ondiepe fundering in het veengebied, met een minder draagkrachtige bodem, kunnen kwetsbaar zijn. Aandacht voor de aard en staat van de fundering is hier van belang, zeker in geval van concrete aanwijzingen zoals scheurvorming in de gevels, klemmende deuren of ramen, of een scheve vloer. Maar ook op palen gebouwde boerderijen kunnen problemen krijgen met name als de grondwaterstand in het gebied is verlaagd of een serie droge zomers.

Aan funderingen zelf kan niet veel onderhoud worden uitgevoerd, maar je kunt wel maatregelen treffen om de omstandigheden voor de fundering zo gunstig mogelijk te houden of te maken. Zorg voor een goede afwatering van het omliggende terrein om een hoge concentratie water bij de fundering te voorkomen. Zorg ervoor dat bomen niet te dicht op de gevels staan. Ze kunnen de vochthuishouding rond de fundering verstoren en met hun wortels op termijn de fundering omhoog drukken. Laat bij verbouwingsplannen door een deskundige onderzoeken of fundering en gevels, indien nodig, extra belasting kunnen opnemen.
Kapconstructies
De kap vormt een buitengewoon belangrijk onderdeel van elk gebouw. Als hier gebreken ontstaan, heeft dat bijna altijd vervelende gevolgen voor andere delen. Inspecteer kapruimten regelmatig (of laat dit doen). In de eerste plaats is het van belang dat de kapconstructie voldoende stabiel blijft. Daarvoor is het noodzakelijk dat de constructie zelf, met alle vereiste houtverbindingen, compleet en intact is en dat de verbindingen (verankeringen) met muren en balklagen in orde zijn. Verschijnselen die op schade kunnen wijzen, zijn doorbuigen, uitknikken, verdraaien, scheef trekken en verschuiven van balkhout. (Gedeeltelijke) breuk wijst op overbelasting

Behalve door mechanische oorzaken kunnen kapconstructies ook worden aangetast en verzwakt door schimmels en insecten. Droog hout kan niet rotten, maar zodra er vocht bij komt, verandert dat. Er gaan schimmels groeien die de samenstelling van het hout zodanig veranderen dat de samenhang verloren gaat. In de praktijk is vocht – hetzij hemelwater door lekkages, hetzij condens door verkeerd uitgevoerde isolatiemaatregelen – de belangrijkste oorzaak van aantastingen.
Verwijder nooit constructieve delen uit de kap zonder de neerwaartse of zijwaartse krachten voldoende op te vangen. Vaak worden hanenbalken verwijderd omdat ze in de weg zitten. De hanenbalk vormt echter een zeer belangrijk constructief onderdeel van de kap. Zonder hanebalk kan de kap uit elkaar gedrukt worden (spatten) en kan zelfs metselwerk horizontaal scheuren. Voorkom dat constructies te zwaar worden belast; bepaal hiervoor op welke belastingen constructies oorspronkelijk zijn berekend.
Een ander belangrijk aandachtspunt bij historische boerderijen is de aanwezigheid van houtborende insecten. Let op de aanwezigheid van gaten en gangen in houten delen en op hoopjes boormeel op de grond. Kijk in het voorjaar of zich kevertjes bevinden bij raamopeningen. Laat gevonden kevers door een deskundige bekijken, als u de kans aanwezig acht dat het een schadelijke soort betreft. Een van de bekendste schadelijke insecten is de gewone houtworm. Deze keverlarve voelt zich vooral thuis in het buitenste, zachtere hout van naaldbomen en in de zachtere loofhoutsoorten. De boktor komt vooral voor in naaldhout maar (een ander type) komt ook in eikenhout voor. Temperaturen van boven de 25 graden en een hoge luchtvochtigheid zijn ideaal voor de boktor. Bij mooi warm zomerweer is vooral in de avond het knagen van de larven duidelijk hoorbaar. Als de aantasting niet tijdig wordt opgemerkt, kunnen ernstige constructieve problemen ontstaan. Het meest agressief is de larve van de bonte knaagkever, ook wel ‘de grote houtworm’ genoemd. Na het verpoppen knaagt de kever zich naar buiten. De voorkeur van dit dier gaat uit naar eikenhout. Houtsoorten in de directe omgeving worden soms ook aangetast.

Zorg voor een goede ventilatie in de kap. Door het isoleren van daken, het afdichten van kieren, de komst van de centrale verwarming is in toenemende mate een klimaat geschapen dat extra aantrekkelijk is voor kevers en schimmels. Tegen passende isolatie van het dak bestaat geen bezwaar, maar het is wel van groot belang dat deze op een juiste wijze wordt uitgevoerd met name met het oog op een goede vochthuishouding (zie meer hierover in de onderdeel “Energiebesparen” van deze website). Tref direct maatregelen tegen lekkage op of boven plaatsen waar de constructie nat is. Geef stof en vuil zo min mogelijk ruimte. Ze trekken namelijk vocht aan, waarin vervolgens ziektekiemen, schimmels en insecten goed gedijen. Bovendien komt op een stoffige, vochtige omgeving ook groter gedierte af, zoals muizen, ratten en vogels.
Een beperkte aantasting (goed controleren!) door insecten kun je zelf bestrijden door het desbetreffende hout en dat in de directe omgeving te behandelen met een (vloeibaar) bestrijdingsmiddel. Als er sprake is van een grootschalige aantasting door insecten, is het beter een gespecialiseerd bedrijf in te schakelen (vraag eerst adviezen en offertes). Zorg ervoor dat bij herstelwerkzaamheden door schimmels en/of insecten aangetast hout direct worden afgevoerd uit het gebouw en de directe omgeving.
Het gebinte
cBij een historische boerderij bestaat de hoofdconstructie meestal uit gebinten. Daarom hebben gebinten over het algemeen een hoge bouwhistorische waarde. Zij vertellen veel over de ouderdom en de ontwikkeling van het gebouw door te letten op het type gebint, houtsoort, ouderdom, telmerken, latere aanpassingen.

Een veel voorkomende schade aan gebinten is het inrotten van de onderzijde van de gebintstijl. Ook kan de onderzijde door het afknagen van het vee erg dun geworden zijn. Dit kan verholpen worden door het “aanscherven” of inkorten van de aangetaste gebintstijl. Bij het aanscherven wordt eerst de houtconstructie goed gestut. Van de gebintstijl wordt dan het rotte onderste deel afgezaagd en het goede deel zodanig verzaagd dat het stevig verbonden kan worden met het vervangende nieuwe onderstuk van de stijl.

Het inkorten van een gebintstijl wordt toegepast als hooguit de onderste ca. 30 cm van de gebintstijl aangetast is. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt de houtconstructie goed gestut. De gebintstijl wordt horizontaal doorgezaagd en de poer wordt hoger opgemetseld. Tussen de poer en de gebintstijl wordt een eiken plankje of een stukje DPC folie aangebracht om optrekkend vocht tegen te gaan. Na het uitharden van het metselwerk wordt de ondersteuningsconstructie verwijderd.
Daken
Oorspronkelijk werden veruit de meeste boerderijen gedekt met riet, later werden steeds vaker dakpannen toegepast of een combinatie van pannen en riet. Een rieten dak gaat gemiddeld zo’n dertig tot veertig jaar mee, maar de levensduur hangt af van diverse factoren, zoals de kwaliteit van het gebruikte riet, hellingshoek van het dak, aanwezigheid van schaduw gevende bomen, stand ten opzichte van zon en overheersende windrichting, slechte ventilatie, schade door storm, vogels, steenmarters, en dergelijke. Een rieten dak moet het liefst volop in de zon en de wind liggen en overhangende boomtakken en bijgevolg drupwater moeten zo veel mogelijk worden voorkomen. Inspecteer het dak regelmatig op (beginnende) schade. Laat bijvoorbeeld gaten in het riet (door vogels of storm) zo snel mogelijk repareren en losgeraakte nokvorsten opnieuw vastzetten. Wacht niet te lang met het vernieuwen van een oud dak: lekkage leidt vaak tot vervolgschade aan bijvoorbeeld de kapconstructie. Laat u goed adviseren wanneer u een rieten dak aan de binnenzijde gaat isoleren, om condensatievocht en rotting van het riet te vermijden.

Pannendaken komen met name voor op het woongedeelte van boerderijen en soms ook op het schuurgedeelte. Bekende pannentypen zijn de oude Hollandse pan en de nieuwere muldenpan, kruispan en de Tuile du Nord. De nieuwe soorten dekken in het algemeen beter dan de Hollandse dakpannen. Voorhuizen zijn vaak voorzien van een dakbeschot, met daarop panlatten en pannen. Maar een dakbeschot is niet noodzakelijk. In achterhuizen rusten de pannen vaak op een raamwerk van sporen en panlatten. Bij onbeschoten kappen die gedekt zijn met Hollandse pannen kan behoorlijke lekkage optreden, omdat deze dakpannen zijdelings niet goed afsluiten. Vroeger werden daarom aan de binnenzijde zogeheten strodokken of ondergestoken riet aangebracht. Een pannendak kan gemakkelijk honderd jaar mee. Meestal zijn de panlatten eerder aan vervanging toe dan de pannen zelf. Het meest voorkomende euvel bij dakpannen is dat ze wegvallen of -schuiven door bijvoorbeeld storm. Ze moeten dan zo snel mogelijk weer in de juiste positie worden gelegd, om ernstige schade te voorkomen.

Op windgevoelige plaatsen kan aan de bovenzijde van de pan een gaatje worden geboord, waarna deze met een roestvaststalen of aluminium nagel wordt vastgezet. De dakpannen zelf kunnen diverse gebreken vertonen. Ze kunnen bijvoorbeeld afschilferen, bros worden of verpulveren en de nokken, waarmee de pannen achter de panlatten haken, vertonen vaak schade door een onzorgvuldige behandeling of door invloeden van (bevroren) condenswater. Vervang beschadigde pannen. Controleer of nok- en hoekkepervorsten, de speciale pannen op de overgang van twee dakvlakken, nog goed vast in de specie liggen en laat zonodig repareren met een niet te harde specie. Vermijd vogelnesten en vuil onder de pannen. Hierdoor kunnen dakbeschot, tengels en panlatten namelijk versneld inrotten.
Bedenk dat ook bij isolatie van een pannendak een verkeerde werkwijze ronduit dramatische gevolgen kan hebben. Raadpleeg daarom bij isolatieplannen altijd een deskundige (zie ook het onderdeel “Energiebesparen” van deze website).
Gevels
Als zich problemen voordoen met het metselwerk, is het noodzakelijk eerst de oorzaak hiervan te achterhalen. Enkele veelvoorkomende schadeoorzaken zijn:
- het vochtgehalte in de stenen is te hoog, waardoor ze kapotvriezen;
- er loopt veel water langs de gevel, waardoor muurankers gaan roesten en balkkoppen uitzetten (hierdoor kan het metselwerk worden kapot gedrukt);
- er treden verzakkingen op;
- de fundering wordt opgedrukt door boomwortels;
- en andere factoren.

Als er kapotte stenen in de muur zitten moeten deze worden vervangen daar kapotte stenen mogelijk vocht gaan doorgeven. Het vervangende metselwerk moet goed aansluiten bij het bestaande werk. Zeer belangrijk daarbij is dat ze met eenzelfde soort mortel (metselspecie) in het juiste verband worden vermetseld. Dit heeft niet alleen een esthetische reden; het is ook van belang voor de vochthuishouding in de muur.
Goed uitgevoerd voegwerk kan net zo lang mee als een steen van goede kwaliteit, maar door een gebrek aan vakmanschap gaan er bij het voegen regelmatig dingen mis. Enkele veelgemaakte fouten zijn: het oude voegwerk werd te ondiep of te onvoorzichtig uitgehaald; Er is gebruik gemaakt van verkeerde specie (te zacht of juist te hard); de mortel is onvoldoende aangedrukt; de mortel is te snel gedroogd; de mortel heeft (na droging) niet de juiste kleur.

Om metsel- en voegwerk in goede staat te houden, moet (een overmaat aan) vocht in muren worden bestreden. Voorkom zo veel mogelijk dat er water langs de gevel loopt, bijvoorbeeld door goten schoon en dicht te houden en door lijsten en afdekkingen goed te detailleren. Zorg voor een goede afwatering van het terrein. Houd de begroeiing van en dicht bij gevels beperkt. Bestrijd mossen op gevels. Let er bij metsel- en voegwerk op dat de veren van muurankers worden vrijgehouden van specie; een open voeg is noodzakelijk voor de ventilatie van de balkkop, in het bijzonder bij vochtige muren.
Goed gevoegde en deskundig herstelde muren hoeven in beginsel niet te worden behandeld met een impregneermiddel. Het middel is soms erger dan de kwaal. Wees daarom zeer terughoudend met het waterafstotend maken van muren.
Scheuren in het metselwerk komen voor in veel oudere gebouwen. Scheuren in het metselwerk kunnen ontstaan door weersinvloeden, overgangen tussen twee bouwdelen, verzakkingen door verlaagde waterstand, trillingen en andere oorzaken. Maar alle scheuren in de muur laten vocht binnen en kunnen tot schimmelgroei leiden. Fijne scheuren kun je gemakkelijk zelf repareren, maar zettingsscheuren zijn een symptoom van dieper liggende problemen die door een vakman behandeld moeten worden. Zettingsscheuren ontstaan wanneer de ondergrond iets inzakt maar niet overal in dezelfde mate waardoor er spanningen in het metselwerk ontstaan.
Zijn er meer dan één diagonale scheuren in de gevel? Dan zijn dit scheuren om je zorgen over te maken. Deze scheuren kunnen duiden op grondverzakkingen of problemen met de fundering. Vaak lopen deze scheuren richting ramen en gevelopeningen. Bij ouder metselwerk wordt vaak een spiraalanker gebruikt om de gescheurde bouwdelen weer met elkaar te verbinden. De belangrijkste maatregel bij het structurele herstel is echter de versterking van de fundering.

Zie je horizontale scheuren in de buitenmuur en zijn er ook 1 of meer diagonale scheuren, dan kan dit wijzen op funderingsproblemen maar het kan ook dat muren naar buitengedrukt worden door spatkrachten vanuit de kap. Soms herken je dat extra goed door stenen in de muur die naar buiten ‘uitspatten’. Zie je diagonale scheuren boven de ramen die naar elkaar toe lopen (^) dan kan het zijn dat de ligger die het metselwerk boven je raam opvangt (latei) de ballast niet meer aan kan en vervangen moet worden. In al deze gevallen: schakel een bouwkundig specialist in om nader onderzoek te plegen.
Een of meer verticale scheuren in de buitenmuur kunnen er op wijzen dat er in een lange buitengevel geen of onvoldoende dilataties (tussenruimtes) in de muur zitten waardoor de muur onvoldoende bewegingsvrijheid heeft als hij uitzet of krimpt door effect van de zon/warmte. Een voordeel van zo’n verticale scheur is, dat er nu wel een tussenruimte in de muur is ontstaan die ze er eigenlijk bij de bouw van jouw huis al in hadden moeten zetten. In principe is zo’n scheur onschuldig. Het punt is alleen dat hij na verloop van tijd groter kan worden en dat afbrokkelende stukjes metselwerk kunnen achter blijven die kunnen verhinderen dat de muur weer dicht kan trekken als het weer warm weer wordt. Het beste is daarom dat je zo’n scheur netjes af laat werken door er -na hem goed vrij te hebben gemaakt van afbrokkelend metselwerk- er een zogenaamde ‘rugvulling’ in te plaatsen.
Zie je scheuren boven je ramen die lopen van elkaar aflopen (V)’? Ook deze scheur heeft te maken met de ligger boven je raam (latei) die al het metselwerk erboven opvangt. Deze zet uit bij warmte. Daarom hoort er aan de kopse kanten van de latei een stukje ruimte te zijn (een stootvoeg). Als deze er niet is of als deze dicht zit met iets, dan kan de latei niet breder worden en drukt hij je metselwerk boven je raam kapot en kunnen er scheuren ontstaan. De oplossing is om de stootvoegen te openen. Vaak dient er ook nog een zogenaamd ‘oplegvilt’ of ‘glij-folie’ aangebracht te worden zodat de latei beter kan bewegen.
Houtwerk
Deuren en vensters hebben natuurlijk in de eerste plaats een gebruiksfunctie, maar ze bepalen ook in hoge mate het aanzien en de uitstraling van een gebouw. Kozijnen met kruisroeden en schuifvensters zijn eeuwenlang gezichtsbepalend geweest voor veel boerderijen. In het algemeen kan men het best terughoudend zijn met vervangen en waar mogelijk bestaande vensters behouden. Een goede timmerman kan slechte onderdelen, zoals onderkanten van raam- en deurstijlen, zodanig herstellen dat er nauwelijks iets van te zien is. Dit zogeheten “aanhelen” is meestal goedkoper dan volledige vervanging; bovendien blijft het oorspronkelijke karakter beter behouden. Bovendien werden kozijnen vroeger vooral gemaakt van goede Europese houtsoorten, zoals eiken en fijndradig grenen en is de kwaliteit hiervan doorgaans veel beter dan die van nieuw hout.

Schilderwerk dient in de eerste plaats om het onderliggende materiaal te beschermen. Daarnaast is het zeer bepalend voor het aanzien van een gebouw. Als ergens doelmatig onderhoud loont, dan is het bij schilderwerk. Tijdig ingrijpen bespaart veel extra werk, tijd en dus kosten. Bedenk steeds dat de technische noodzaak om in te grijpen al veel eerder aanwezig is dan de esthetische noodzaak. Met andere woorden: als de verf is gescheurd of afbladdert, ben je te laat. Daarom is het verstandig schilderwerk jaarlijks goed na te (laten) kijken. Let daarbij vooral op de liggende delen, die het gevoeligst zijn voor vochtinwerking.
Voor het behoud van schilderwerk is het noodzakelijk dat de stopverf goed vast en waterdicht is aangesloten op de beglazing. Om te voorkomen dat condensatievocht het hout kan binnendringen, moet verf minimaal twee millimeter tegen de beglazing worden opgezet. Maak schilderwerk regelmatig schoon; dit voorkomt vroegtijdige schade. Controleer schilderwerk regelmatig op afbladderen en schraalheid. Let daarbij niet alleen op de grote vlakken, maar vooral op details: randen, hoeken, naden, verbindingen, kopse kanten, boven- en onderzijden van ramen en deuren. Schenk altijd speciale aandacht aan liggende onderdelen, zoals dorpels, kalven in deuren en vensters, en afdekkingen van dakkapellen. Houd rekening met de ligging van schilderwerk. Aan de zuid- en westzijde zijn bijwerken en groot onderhoud veel vaker nodig dan aan de oost- en noordzijde.
Houd schilderwerk zo goed mogelijk bij. Werk beginnende scheurtjes direct bij. Controleer of de stopverf waterdicht aansluit op de beglazing en repareer de aansluiting zo nodig.

Als u zelf schildert, doe het dan wel goed. Verwijder bij kleine schades het rotte materiaal volledig en vul de opening, eventueel na een voorbehandeling, met een geschikt vulmiddel; gebruik voor buitenwerk uitsluitend buitenvulmiddel. Schuur het hout (de oude verflaag voorzover die goed vast zit kan gewoon blijven zitten), maak goed stofvrij en zet vervolgens de nieuwe verflagen er op. Het klassieke verfsysteem bestaat uit drie lagen (grondlaag, tussenlaag en afdeklaag). Schilder niet bij vochtige omstandigheden (motregen, mist, dauw), felle zon of onder 15° C. Neem goede verf, dat is duurder maar op de lange termijn goedkoper, dat geldt ook voor de grondverf. Een goede verf gaat langer mee en beschermt uw hout beter. Zorg ervoor dat kops hout goed in de verf blijft of wordt afgedicht door bijvoorbeeld lood. Ga niet zonder goed advies naden dichtkitten; kozijnen kunnen vanwege de weggenomen ventilatiemogelijkheid sneller gaan rotten. Een punt van aandacht is dat moderne verven een veel hogere dampdichtheid hebben dan oude verven. Wanneer u dus de buitenzijde met een moderne dampdichte verf behandeld en de oude minder dampdichte verf zit nog aan de binnenzijde dan kunnen blazen ontstaan en onthechting optreden.
Bedenk dat door het vervangen van enkelglas door HR++ glas het vocht niet meer langs de ramen zal druipen door condensatie, maar dat het nu op het houtwerk kan neerslaan, daar dit nu het koudste punt zal zijn (zeker als ook gevelisolatie wordt aangebracht). Het schilderwerk moet dus goed in orde en dampdicht zijn, opdat het vocht geen grip krijgt op het houtwerk.
Vroeger werd er in (lijn-)olieverf geschilderd. De kleur van deze verf werd onder invloed van het licht geleidelijk aan donkerder en doffer. Na 1950 kwam er ook synthetische verf beschikbaar waarvan de kleuren altijd wat feller en glanzender zijn dan de historische verf. Daarom is het raadzaam om in synthetische verf een iets zachtere tint en net één tint donkerder of matter te kiezen dan u gevonden heeft in lijnolie. Kies kleuren bij daglicht. Bij voorkeur met een waaier met grotere kleurvlakken.
Maak een op de historie geïnspireerde en verantwoorde keuze van de kleuren. De firma Boonstoppel heeft o.a. een “kleurenwaaier voor monumenten in stad en streek” te koop https://www.onlineverf.nl/verfbenodigdheden/kleurenwaaiers. Vaak kiezen eigenaren min of meer automatisch voor de combinatie standgroen met gebroken wit op ramen en deuren. Op zich is er niets mis met deze kleurencombinatie, maar de schilders hadden vroeger meer potten verf dan deze twee kleuren. Mooier is om te proberen aan te sluiten bij de kleuren die in deze regio vroeger vaak gebruikt werden. Bij de restauratie van monumenten wordt veelal eerst kleuronderzoek gedaan om te bepalen welke kleuren de diverse onderdelen van een boerderij in een bepaalde periode hadden (zie verder www.monumenten.nl).
Op boerderijen worden vaak meerdere kleuren naast elkaar gebruikt en de gebruikte kleuren “voor” (het woongedeelte) waren vaak anders dan “achter” (het bedrijfsgedeelte). ’Voor’ werden de ramen en deuren meestal vrij netjes onderhouden (zeg om de 5 tot 10 jaar een verfbeurt), terwijl ’achter’ er vaak pas werd geschilderd als de verf serieus aan het bladderen was. Woonruimtes hebben een ander kleurgebruik dan werkruimtes. Witten en teren werd op de boerderijen wel vaak gedaan, meestal elk jaar.

M.W. Heslinga stuurde in 1946 een rapport naar het Openluchtmuseum – in verband met de verhuizing daarheen van de boerderij de Caterstee uit de Kadoelen – over de kleuren van boerenhuizen in het Land van Vollenhove in de 18e eeuw, met de volgende kleur aanduidingen:
- Houtwerk vensters en buitendeuren van woongedeelte: van buiten blauwgroen en de binnenzijde van deuren geelbruin;
- Deuren in schuurgedeelte: van buiten en van binnen: blauwgroen. In 17e en 18e eeuw werden de schuurdeuren veelal zwart geteerd;
- Houtwerk binnen (binnendeuren/binnenste houtwerk van ramen e.d.): dooiergeel (niet hel of fel) afgezet met donkerbruine kozijnen en brede bruine band op deuren;
- Binnen- en buitenzijde van kasten en bedsteden: geelbruin; achterwanden bedsteden kobaltblauw of donkergroen; binnenwerk kasten rood; Soms werden kasten-/bedstee- wanden ook wel “gehout” d.w.z. zó geverfd dat het goedkope materiaal van de wand op duurder/mooier hout leek gemaakt.
- kelderdeurtjes: binnen- en buitenzijde blauwgroen; muren in de kelder witgepleisterd;
- Gang/woonkeuken: Plint (30-80 cm) van donkerbruin geverfd hout of van witte tegels; soms ook plint van zwarte teer; Blauwe tegels met bijbelse voorstellingen of scheepjes, huisjes en kerkjes om de schoorsteen en/of in band onder de ramen in de voorgevel (verder wit gepleisterd); zijwanden m.n. in woonkeuken met witte tegels of deels witgepleisterd; de achterwand (afscheiding naar de deel) is witgepleisterd.
- Planken zijwanden schuur in de zwarte teer.
- De onderste 50 cm van de zijmuren van het voorste stuk van de deel in de schuur (voor de baanders) waren zwart geteerd, in ieder geval achter de pomp, daarboven witgepleisterd.

De horizontale beplanking van de buitenwand van de schuren (potdekselwerk) werd vrijwel altijd geteerd. Aanvankelijk met houtteer, later met koolsteenteer of carbolineum of een mengsel daarvan. Later zouden boeren ook wel afgewerkte motorolie uit de trekker gebruiken. Sinds 1996 is het, vanwege de milieubezwaren, in Nederland verboden om koolteer, carbolineum of producten waarin dit is verwerkt te verhandelen. Voor het onderhoud van houten wanden van boerderijen moet er daarom gewerkt worden met milieuvriendelijke teervervangers. Houtteer (of Stokholmer teer) is een natuurproduct en daarom nog steeds volop voorhanden. Bruinoleum en ecoleum zijn goede natuurlijke vervangers voor carbolineum. Bielzenzwart en silolak zijn gemaakt op basis van bitumen, wat een aardolieproduct is en hebben het nadeel dat de hechting en duurzaamheid minder zijn dan bij houtteer of bruinoleum. Ook plinten in de gang en rond de spoelplaats en pomp werden vaak geteerd waarvoor andere producten in omloop zijn die geschikt zijn voor beton, cement of metselwerk.
Hang- en sluitwerk en ander ijzerwerk
Voorkom dat ankers, rozetten, diefijzers, ‘soldaatjes’ om luiken mee vast te zetten, tralies, beugels van goten en afvoeren, levensbomen, (giet)ijzeren stalraampjes, en dergelijke gaan roesten en daardoor hout doet splijten. Bij onderhoud moeten ijzeren elementen eerst worden ontroest en vervolgens worden behandeld met een verduurzamingsmiddel of een epoxycoating. Schilder naden tussen metaal en hout altijd goed dicht.

Denk er verder aan om bewegende ijzeren delen regelmatig te smeren (minimaal jaarlijks). Vooral onder belasting, zoals bij gehengen van deuren of luiken die over duimen draaien, slijt ijzer betrekkelijk snel in. Hierdoor raakt niet alleen het scharnier of geheng beschadigd, maar zal ook de deur of het luik op den duur niet meer passen. Hierdoor treedt steeds meer schade op. Gebruik voor het smeren een stevig, weerbestendig en verder onschadelijk vet.
Ramen
Uit het oogpunt van comfort en energiebesparing is vaak de vraag aan de orde of dubbel glas moet worden geplaatst, zeker als vensters aan vervanging toe zijn. Hoewel dubbel glas duidelijke voordelen biedt, is het niet verstandig om enkel glas op voorhand uit te sluiten, met name wanneer het gaat om vensters met een roede verdeling en mogelijk nog oud glas. Oudere vensters hebben vaak dunne sponningen waarin moeilijk gangbaar dubbelglas te plaatsen (en voor monumenten geldt dat de sponningen gehandhaafd moeten blijven). Soms is het dan een betere optie om aan de binnenzijde isolerende glasfolie aan te brengen of monumentenglas te gebruiken (heeft een coating, vanaf 3 mm sponningdiepte). Ook gelaagd glas (2 platen met folie ertussen) of vacuüm glas passen nog in een smalle sponning (minimaal 6 mm sponningdiepte). Ook achterzetramen zijn soms een goede optie.
Het voordeel van deze oplossingen is dat zich geen condensproblemen meer voordoen zoals bij enkel glas terwijl de originele kozijnen en detailleringen kunnen worden gehandhaafd.
Aantasting van vensterhout wordt heel vaak veroorzaakt door condenswater dat blijft staan op de raamroeden die daardoor gaan inrotten. Tijdig schilderwerk tegen het glas aan (circa 2 mm ‘opzetten’) kan dit probleem tegengaan. Verder zijn de naden van houtverbindingen gevoelige onderdelen. Omdat hout altijd een beetje werkt, kunnen ze gaan openstaan en capillair vocht opnemen. Naden moeten daarom zo veel mogelijk worden dichtgeschilderd. Openstaande naden, mits niet te groot, kunnen na gedegen reiniging eerst worden gevuld met een geschikt vulmiddel.

Goten en afvoeren
Veel historische boerderijen, en met name de achterhuizen daarvan, hebben van oorsprong geen goten. In principe is het gewenst die situatie zo te laten en te zorgen voor een goede afvoer van afvallend hemelwater. Voorkom dat bij daken zonder goot afvallend water van de bodem opspat. Vervang zo nodig bestrating door een grindbed of gras.
Als er om praktische (wateropslag) of bouwkundige (vochtbestrijding) redenen toch goten worden aangebracht, kies dan voor een onopvallend type, bijvoorbeeld een halfronde mastgoot die vrijdragend aan beugels onder de dakvlakken hangt. Een voordeel van mastgoten is dat ze naar verhouding niet zo snel vervuild raken.
Controleer regelmatig of goten, vergaarbakken en afvoerpijpen schoon zijn en grijp waar nodig in. Vanwege de bladval is in het najaar extra aandacht vereist. Tref onmiddellijk maatregelen als blijkt dat lekkages van goten of afvoeren schade veroorzaken aan de kapconstructie of de gevel. Aanwezige kroonlijsten en omtimmeringen van bakgoten moeten regelmatig schoongemaakt en geschilderd worden.

Voor het aanbrengen van goed zinkwerk is een flinke dosis vakmanschap vereist. Te vaak wordt ‘bak- en braadwerk’ aangetroffen in plaats van kundig gesoldeerde voegen. Om de levensduur te verlengen kan zink op gevoelige plaatsen van een coating worden voorzien.
Loodaansluitingen laten vaak gebreken zien. In veel gevallen wordt te licht lood toegepast dat minder goed bestand is tegen het opvangen van temperatuurwisselingen en makkelijker opwaait of scheurt. Klop opgewaaid lood weer terug in de oorspronkelijke positie. Vraag bij herhaaldelijk opwaaien advies aan de loodgieter. Breng op of dicht bij lood geen siliconenkit aan, omdat die het lood aantast.
Kelders
Kelders zijn in het algemeen de oudste delen van een boerderij. Ze waren moeilijk te slopen en werden na brand, instorting of bij verbouwing in het nieuwe gebouw ingepast. Wel werd de ingang soms verlegd. Om ze koel te houden, werden veel kelders overwelfd door een in baksteen gemetseld ton- of kruisgewelf. Veel kelders uit vroeger eeuwen blijken constructief nog opmerkelijk gaaf. De problemen bij kelders hebben voornamelijk te maken met vochtoverlast. De kelder kan lek zijn door scheuren in de vloer of in de wanden. Doorgaans kan alleen een nauwkeurig onderzoek door deskundigen uitsluitsel geven over mogelijkheden om de kelder dicht te maken. De vloer van de kelder kan blank staan bij een hoge grondwaterstand, na bijvoorbeeld een periode van veel regen. Soms is de omgeving van het gebouw door aanleg van straten en ophoging met grond zodanig gewijzigd, dat plotseling water op de keldervloer blijft staan. Een mogelijke oplossing is een plaatselijke verlaging van de grondwaterstand rondom het gebouw door aanleg van een drainagebuis aan de buitenzijde. Een alternatief is een putje in de keldervloer, voorzien van een klokpomp met niveauregelaar en een afvoer.

Een ander veelvoorkomend euvel is de aantasting van het pleisterwerk op keldermuren. Dit gaat los zitten en valt er af. In het algemeen is het verstandig om bij een opknapbeurt al het losse pleisterwerk eraf te halen en de kelder met een heel dun kalkpleisterlaagje – de zogenaamde vertinlaag – af te werken. Bij onderhoud werkt gewone witkalk uitstekend. Bijkomend voordeel is dat het desinfecterend is en schimmelvorming tegengaat. Meestal zijn kelders veel vochtiger dan noodzakelijk. Bijna altijd komt dit door een gebrek aan ventilatie. Omdat een kelder meestal vorstvrij blijft, kan er het hele jaar door geventileerd worden. Zet voor een stevige tocht twee raampjes tegen elkaar open of schep hiervoor gelegenheid met een extra opening.
Veel kelders uit de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw hebben een kelderdek dat bestaat uit I-balken met daartussen gemetselde trog-gewelfjes. Deze ijzeren profielen kunnen in het metselwerk gaan roesten, zodat het metselwerk gaat scheuren en afbrokkelen. Symptoombestrijding door schilderen helpt niet, want de tijdbom zit al ín de muur. Helaas is ook hier weer het raadplegen van een deskundige noodzakelijk.
Vloeren
Van de plavuizen verschenen eerst, net als bij de dakpannen, de wat brossere rode exemplaren, later de harder gebakken (gesmoorde) blauwgrijze. Als zich na vele jaren oneffenheden voordoen, kunnen de verzakte tegels voorzichtig worden uitgenomen, waarna de holste wordt opgevuld en de tegels worden teruggeplaatst. Eventueel kunnen gescheurde exemplaren uit het zicht worden geplaatst.

Houten vloeren hadden vroeger forse planken, tot breedtes van zo’n 35 cm. Pas in de late negentiende eeuw ging men smallere planken gebruiken, die vaak werden voorzien van een pasprofiel of kraal. Aanvankelijk werd eiken gebruikt; later meer grenen en vervolgens vuren. Bij oudere planken gaat het meestal om langzaam gegroeid hout. Dit is fijndradig en daardoor kwalitatief veel beter dan ‘modern’ hout. Handhaaf daarom zo veel mogelijk het oude hout. Vloeren werden vaak geschilderd. Waar de kleur is verdwenen, kunnen kleursporen aanknopingspunten bieden voor herstel van het oorspronkelijke schilderwerk. Op plaatsen waar, bijvoorbeeld als gevolg van centrale verwarming, naden tussen vloerplanken zijn ontstaan, is de mooiste oplossing deze dicht te maken met een dun, goed passend latje; een zogeheten veer. Belast vloeren niet zwaarder dan met de massa waarop ze zijn berekend. Verwijder nooit zomaar vloerbalken en/of ankers; dit is namelijk van invloed op de stabiliteit van de gehele constructie.
Pleisterwerk
Problemen met binnenpleisterwerk hebben meestal te maken met vocht, vaak in combinatie met uitbloeiende zouten. Van belang is vooral de juiste oorzaak van de vochtverschijnselen te achterhalen. Bij een te hoge luchtvochtigheid slaat condens neer op de binnenkant van de koude buitenmuren. Behang kan klam aanvoelen, pleisterwerk is alleen aan de oppervlakte wat vochtig. Door beter ventileren verdwijnt het vocht. Doorslaand vocht is in veel gevallen te wijten aan slecht voegwerk en scheuren in de muur. Kleine scheurtjes aan de regenzijde van een gebouw zuigen veel vocht op. Lang lekkende regenpijpen en vergaarbakken zorgen plaatselijk voor doorslaand vocht. Oude muren lijken massief maar er zitten vaak allerlei holtes in. Zwakke plekken worden aan de binnenkant zichtbaar door vochtplekken op onverwachte plaatsen. Bij regen worden de plekken groter. Bij langdurige droogte verdwijnen ze bijna geheel. Door het lekken van goten op muren trekt “zakvocht” in het massieve metselwerk naar beneden en komt dan in warmere ruimten naar buiten. Dit gaat vaak gepaard met de uitbloei van in de muur aanwezige zouten. Door zakvocht kunnen balkkoppen – zelfs als deze zich twee meter onder de goot in de muur bevinden – door schimmels, houtrot en insecten worden aangetast. Er wordt gesproken van indirect optrekkend vocht als regenwater dat net onder het maaiveld in de muren optrekt, in warmere ruimten vlak boven de vloeren weer naar buiten treedt. Daar drukt het vocht het pleisterwerk van de wanden. In de muur voorkomende zouten kunnen de schade vergroten. Oorzaak is meestal slecht voegwerk net onder het maaiveld of een naar het gebouw aflopend terrein. Bij optrekkend vocht kan vlak boven de vloer een vochtkering aangebracht worden, door een vochtwerende vloeistof in de muur te spuiten of door een sleuf te vrezen en daarin een kunststof vochtwering aan te brengen (vroeger ook wel glas of lood). Uiteraard is het aanbrengen van een chemisch vochtscherm minder arbeidsintensief.

Pleisterwerk aanbrengen is een vak. Zeer veel problemen bij pleistersystemen ontstaan doordat deze niet zorgvuldig en volgens de voorschriften zijn aangebracht, of door het naderhand aanbrengen van een verkeerde afwerking. Opnieuw pleisteren heeft alleen zin als de oorzaken van vochtoverlast zijn verholpen en de muren voldoende droog zijn. Vaak wordt een muur te snel van nieuw pleisterwerk voorzien. Als vuistregel geldt dat twee à drie jaar gewacht moet worden met opnieuw pleisteren, afhankelijk van de hardheid van het gesteente. Als pleisterwerk plaatselijk loslaat, kunnen de losse delen verwijderd worden. Als meer dan veertig procent loszit, is het meestal beter alles te verwijderen. Nieuw pleisterwerk kan men het beste in afgeronde delen opzetten en bij inwendige hoeken laten aansluiten op het bestaande werk. Er ontstaan dan geen problemen bij de overgangen. Sterk door vocht en zout belaste muren geeft men een zo dun mogelijke pleisterlaag, maximaal acht à tien millimeter. In kelders verdient een dun vertinlaagje de voorkeur.
In de vorige eeuw zijn vochtige muren van oude boerderijen nogal eens afgedekt met een lambrisering, regelwerken met beplating, of tegels. Deze vorm van symptoombestrijding is sterk af te raden. Ze neemt de oorzaak niet weg, maar verergert slechts de problemen, omdat het vocht verder moet optrekken voordat het kan uittreden.
Plafonds
Oorspronkelijk keek je in boerderijen tegen de balken en planken van de bovengelegen vloer aan. Onder invloed van de stedelijke architectuur kwamen er in de loop van de negentiende eeuw echter ook op sommige boerderijen stucplafonds. Hiertoe worden tegen de balken latjes of rietmatten gespijkerd, waarna een pleisterlaag wordt aangebracht, soms verfraaid met lijstwerk en gipsen decoraties. Door veelvuldig overschilderen en -kalken zijn bij veel plafonds de detailleringen minder sprekend geworden. Door oude lagen voorzichtig te verwijderen kan men deze herstellen en meer te weten komen over het vroegere kleurgebruik. Bij onderhoud aan stucplafonds is het aan te raden eerst te controleren of het geheel nog goed vast zit aan de bovenliggende vloer. Vooral rietplafonds kunnen, bijvoorbeeld door een lekkage, plaatselijk zeer verzwakt zijn en zelfs onverwachts naar beneden komen.

Kast- en bedsteewanden
In boerderijen werd al vroeg aandacht besteed aan bedsteewanden en servieskasten. Soms werd eikenhout gebruikt. Dit werd dan zo gezaagd dat de ‘spiegels’ goed tot hun recht komen. Meestal werd voor betimmeringen en (kast)deuren echter grenenhout gebruikt. Dit werd egaal of in enkele tinten geschilderd, maar vaak ook door imitatieschildering opgewaardeerd tot eikenhout, (wortel)noten of mahonie.

Tegels
Waardevolle tegels kom je vanouds tegen in schouwen en keukens. Later zijn ze ook veel toegepast in bijvoorbeeld portieken, gangen, badkamers en toiletten, uiteraard vloeren en ook wel aan de buitengevel, bijvoorbeeld boven kozijnen. Een probleem is dat bij schade vaak moeilijk aan vervangende exemplaren is te komen. Een praktische oplossing is dan een wisseltruc uithalen met een goede tegel op een minder opvallende plaats. Er zijn nog steeds specialisten die tegels kunnen kopiëren, dit is uiteraard handwerk en daardoor prijzig.

Geraadpleegde bronnen o.a.:
- https://ijsselhoeven.nl (download 10: onderhoud en behoud van boerderijen)
- agriwiki.nl (diverse lemma’s)
- Berends, Historische houtconstructies in Nederland(Arnhem 1999)
- Ineke de Visser, Kleur op boerderijen. In het groene hart van Holland(Hardinxveld-Giessendam 2006)
- W. Heslinga, Memo over de kleuren van boerderijen in het Land van Vollenhove, Archief omtrent “de Caterstee”, Openluchtmuseum, 1946
- monumenten.nl (onderdeel “praktische-tips-voor-onderhoud”)
- Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM): stichtingerm.nl (diverse infobladen en richtlijnen)
- agrarischerfgoed.nl/agriwiki (categorie: restauratietechniek)
- Erwin Tuin (Buro Vestus) gaf commentaar op de concept tekst