Ruilverkaveling 2

De ruilverkaveling Vollenhove – Blokzijl (deel II): Bedrijfsverplaatsing, een aantal boeren vertellen hun verhaal

Henk de Zeeuw, Boerderijenstichting Land van Vollenhove

(met dank aan Albert Mooiweer, Albert Driessen, Harm Haasjes en Egbert Apperlo)
(Gepubliceerd in Kondschap jrg 37 no 2, juni 2021)

Bedrijfsverplaatsing was een zeer ingrijpend gebeuren voor een boerengezin in een tot dan toe vrij statische en behoudende samenleving. Het was nogal een beslissing om al het oude vertrouwde los te laten, heel veel geld te lenen/investeren en naar een ander gebied te vertrekken.
Veel boeren waren aanvankelijk aarzelend om mee te doen met de bedrijfsverplaatsing in het kader van de ruilverkaveling. Soms doordat ze de boerderij en grond waarop hun voorouders hadden geboerd niet in handen van een vreemde wilden zien komen. Soms omdat ze de crisisjaren nog mee hadden gemaakt en bang waren om veel te investeren. Soms omdat ze hun bedrijf nog relatief goed uitgerust vonden, zoals de boerderijen die aan de Barsbeek gebouwd waren ter vervanging van de boerderijen die aan het eind van de oorlog afbrandden. Soms omdat ze niet “op de vlakte” en ver van hun kennissen wilde wonen. Soms omdat ze vonden dat de gronden die hen voor bedrijfsverplaatsing werden aangeboden in hun ogen niet de gewenste kwaliteit hadden omdat dit vaak slecht ontsloten en erg natte gebieden waren zoals in de Heven en de Barsbekerbinnenpolder waar bovendien de bouwkosten hoger zouden uitvallen doordat daar dieper geheid moest worden. Soms speelden ook godsdienstige redenen een rol: “je gaat toch niet emigreren naar dat goddeloze Blokzijl” zei een moeder tegen haar zoon toen die zijn plan kenbaar maakte. Maar soms ook gewoon doordat ze nog te weinig ondernemer waren.

 
Enkele boerengezinnen namen vrij snel de beslissing om verplaatsing aan te vragen, een aantal anderen deden er een paar jaar over om tot een besluit te komen en sommigen van hen wilden uiteindelijk toch wel nieuw bouwen, bijvoorbeeld toen ze zagen hoe door betere ontsluiting en afwatering die slechte gronden toch niet zo slecht meer waren. Maar toen visten enkelen achter het net omdat de beschikbare grond voor verplaatsing al op was.

Fig. 1 Het graven van een bermsloot langs de net verbrede (maar nog onverharde) Hevenweg (Bron: Steenwijker Courant)

 

Als een boer een nieuwe boerderij wilde bouwen, dan kwam veelal eerst de landbouwvoorlichter langs om samen met de boer en boerin een plan voor de nieuwe boerderij te maken met een berekening van de kosten en opbrengsten in de oude en de nieuwe situatie. Als de uitkomst van die berekening positief was, dan was het plan met berekening de basis om -zo nodig- met de bank te gaan praten over een lening. Als de lening rond was, zag het er financieel vaak aantrekkelijk uit voor de boer: er werd in die jaren veel subsidie verleend op de boerderijbouw, de stalinrichting, de aanleg van erfverharding en kavelpaden, en dergelijke, samen vaak wel 25% van de totale kosten. Bovendien financierde de ruilverkaveling bovendien de bouw van de boerderij voor en de afbetalingsregeling was erg soepel: 5% rente en aflossing per jaar gedurende 30 jaar. En ze hoefden pas beginnen te betalen nadat de financiële en juridische afwikkeling van de ruilverkaveling geheel afgerond was, wat in Vollenhove nog drie jaar duurde na afronding van de werkzaamheden en de toedeling van de kavels. Door de hoge inflatie in de zestiger en zeventiger jaren kostte het de meeste boeren geen moeite om deze lasten te dragen. 

Hierna volgen een aantal voorbeelden van zo’n bedrijfsverplaatsing: Voerman van de Leeuwte nabij de Moespot naar de Zuiderzeeweg, Roebers uit Vollenhove naar de Noordwal in de Bentpolder, en Egbert Apperlo uit Sint Jansklooster naar de Duinigermeerweg achterin het Leeuwterveld.


Voerman van de Leeuwte naar de Zuiderzeeweg

Jannes Voerman trouwde in 1949 met de weduwe van Dirk Driessen. Zij dreef een winkeltje in levensmiddelen, bezems, touw, petroleum en dergelijke aan de Leeuwte no 3 (nabij de Moespot). Achter het huis in een aangebouwde schuur stonden 2 koeien en een paar zeugen, zoals bij heel veel huishoudens in die tijd.

Fig. 2. Dirk Driessen voor Leeuwte 3 net na de oorlog (met de hond aan een beugel om de zware kar te helpen duwen). Bron: Albert Driessen

Voerman bracht wat land en koeien mee en breidde de schuur achter Leeuwte 3 verder uit tot er plaats was voor zo’n 14 koeien, inclusief vaarzen/pinken. Ze hadden amper 2 hectare grond in eigendom en huurden zo’n 4 hectare bij van de hervormde diaconie op een 6-jarig contract. Van bekenden huurden ze “op vertrouwensbasis” nog zo’n 3 hectare, wat betekende dat de overeenkomst niet op papier stond en de eigenaar dat land desgewenst op elk moment weer kon opeisen. Van de Directie IJsselmeerpolders huurden ze nog zo’n 3 hectare in de Noordoostpolder bij. De percelen lagen ver verspreid: aan de Schaarweg, in de Uiterdijken, aan de Duinigersteeg, in de Leeuwter voorslagen en in de NOP.
In 1949 schafte Voerman voor het eerst een paard en een houten wagen aan. In 1950 schafte hij -samen met bijna-buurman Jannes Mooiweer van de Moespot een grasmaaimachine en een hooimachine aan en voegden ze hun paarden samen tot één span om deze machines te trekken. Samendoen met de maaimachine ging goed maar die hooimachine hadden ze steeds allebei tegelijk nodig dus kwam er al snel een tweede hooimachine bij.  

Voerman was penningmeester van de lokale afdeling van de CBTB en had daarom goed inzicht in de ins en outs van de ruilverkaveling. Dat maakte, dat hij zich al vroeg aanmeldde voor bedrijfsverplaatsing. Voerman bereidde zich goed voor op de verplaatsing en bezocht diverse boeren in de polder Giethoorn die eerder al een moderne stal lieten zetten. Verder stalde hij bij een andere boer aan de Leeuwte wat droogstaande koeien en wat extra aangehouden jongvee, zodat ze na de verplaatsing snel de veestapel zouden kunnen vergroten. Bovendien hadden ze van de Gascoigne-verkoper al op hun boerderijtje aan de Leeuwte een melkmachine in bruikleen gekregen, met een half pk-elektromotor vacuümpomp en 2 apparaten, zodat ze daar vast ervaring mee konden opdoen.

Fig. 3. Aan het melken in de oude stal maar met de nieuwe machine (Bron: Albert Driessen)

In 1962 lieten ze aan de Zuiderzeeweg een open loopstal bouwen. Dat was voor die tijd een zeer vooruitstrevend model, waar de ca 20 koeien vrij rondliepen in een verlaagd gedeelte met daarlangs de voergang. In het lagere gedeelte werd dagelijks het stro ververst: een soort potstal dus. De mest werd één keer per jaar uit de stal gehaald door een loonwerker met een grijper. De stal was aan één kant helemaal open met vrije uitloop voor de koeien.

Fig. 4. De openloopstal aan de Zuiderzeeweg in de winter van 1963 (Bron: Albert Driessen)

In de praktijk beviel deze nieuwe stal slecht. De open stal was in de zeer strenge winter van 1963 geen pretje voor mens en dier. Bovendien werd het stro in korte tijd heel veel duurder. Ook werden de koeien door het liggen in de potstal vaak erg vies en dat beïnvloedde de kwaliteit van de melk. Ook was de stal eigenlijk te klein voor het gewenste veebestand. Allemaal redenen die maakten dat ze al snel (1964/65) besloten om de stal te verbouwen tot een Hollandse grupstal met een dubbele rij koeien voor 40 koeien (incl. pinken/vaarzen) en een doorloop melkstal met 2 x 1 stand.
In die tijd kocht Voerman ook z’n eerste trekker: een Fahr van 16 pk met een maaibalk en een schuif/drager om hooioppers te maken en te vervoeren. Tevens werd een Lely harkkeerder aangeschaft en een wagen met een klep waardoor de trekker de oppers zo op de wagen kon schuiven.
Ondanks de problemen met de stal in de eerste jaren, bracht de ruilverkaveling hen heel veel goeds: de mogelijkheid om verder uit te breiden, die was er aan Leeuwte 3 echt niet, de percelen nu dichtbij de boerderij en een veel betere ontsluiting. Dus konden ze nu veel efficiënter werken en beter gebruik maken van moderne machines.

In 1971 overleed Voerman en nam (stief-)zoon Albert Driessen de leiding van het bedrijf over dat hij geleidelijk verder zou uitbreiden en moderniseren. Zo werd er in 1984 een ligboxenstal gebouwd met plaats voor 70 koeien. Helaas zou hij later een herseninfarct krijgen waardoor hij eénzijdig verlamd raakte en het bedrijf -na een periode waarin zijn vrouw het bedrijf draaiende hield- beëindigd moest worden.


Apperlo van Sint Jansklooster naar de Duinigermeerweg

Egbert (Ep) Apperlo groeide op in Sint Jansklooster aan de Kloosterweg B 56 (achter garage Oldenijens). Achter het huis stonden schuren voor een tiental koeien en wat zeugen, een mestvaalt en een hooiberg. Van het land dat ze bewerkten, lag maar 1 hectare direct bij huis. De rest lag aan de Schaarweg en aan de Duinweg.  

Na de oorlog konden ze een paar hectare bijpachten in de Noordoostpolder en kon de veestapel verder toenemen tot zo’n 14-15 melkkoeien. Z’n vader was niet zo’n paardenman en al in 1949 werd er een trekkertje aangeschaft: een Massey Harris Pony die nog op benzine liep.

Fig.5. Massey Harris Pony 1949 (Bron: https://konedata.net)

Nadat Egbert de leiding op de boerderij van zijn vader had overgenomen kwam in 1960 de eerste melkmachine op het bedrijf, een Hektor met staande ketels, en werd een weidewagen aangeschaft.


In 1964 konden ze een nieuwe boerderij laten bouwen aan de Duinigermeerweg 4. Die plannen waren er al langer, maar de Duinigermeerweg was nog onverhard, alleen het zandbed lag er, wat het bouwen van de boerderij bemoeilijkte. Door de ruilverkaveling was de waterhuishouding in dit voorheen moerassige gebied inmiddels sterk verbeterd doordat er een nieuwe tocht was gegraven en een gemaaltje aan de Hevenweg was geplaatst.

Het plan voor de boerderij werd gemaakt door architect Van Zwol uit Genemuiden en de boerderij werd gebouwd door de aannemer Luttik en Brouwer uit Genemuiden die in die tijd veel boerderijen bouwden, onder andere twee aan de Duinigermeerweg en drie aan de Heven. 

Fig. 6. Duinigermeerweg 4 (Bron: www.veenweide.com)

De overgang naar de Duinigermeerweg betekende een grote verandering in het bedrijf: nu meer land (17 hectare) en rondom het bedrijf gelegen, dus geen tijd meer kwijt met heen en weer lopen/rijden naar ver weg gelegen percelen, het ophalen van de paarden of het verplaatsen van de koeien. Ze gingen van een oude boerderij met diverse erg oude schuren, naar een moderne boerderij met een grupstal en een gierkelder, jongvee in een de schuur met roostervloer en mestkelder. Later werd in het hooivak, dat beschikbaar kwam toen het inkuilen het hooien ging vervangen, nog een dubbele rij boxen met roostervloeren en een mestkelder bijgebouwd, waardoor het aantal melkkoeien verder kon toenemen tot zo’n 55 melkkoeien. 

Ook voor het gezin was het een hele verandering: van een oud boerderijtje met niks naar een gloednieuw huis met alle voorzieningen, zoals een goede keuken, aparte slaapkamers, douche, een wc met stromend water en dergelijke, van midden in ’t Klooster naar achter in ’t veld en voortaan vooral gericht op Blokzijl voor school, winkels en melkfabriek en dus ook van midden tussen de mensen naar een plek met slechts één ander boerengezin als buren.

In 1994 nam zoon Evert de leiding van de boerderij over. Evert en zijn vrouw Jettie begonnen een paar jaar later ook een mini-camping, “de Veenweide” geheten, met 12 standplaatsen. Het melkveebedrijf werd wat toen wat aangepast: nu nog maar 35 melkkoeien plus opfok van 25 stuks jongvee.
De nu gaande zijnde herverkaveling geeft hen weer stof tot nadenken, daar een deel van hun land omgezet zal worden in natuurgebied en het de vraag is of ze het hier nog als boer zullen kunnen volhouden.

Roebers van Vollenhove naar de Noordwal

Gerrit Jan Roebers, bijnaam “de Scheuper”, had vanaf 1933 een boerderijtje aan de Gasthuissteeg/ hoek Kerkstraat achter het voormalige St. Anthoniegasthuis in Vollenhove. Hij had het meeste land (ruim 8 hectare) in de Bentpolder.

Fig. 7. De locatie van de boerderij van Gerrit Jan Roebers aan de Gasthuissteeg in Vollenhove: de percelen 1179 + 1079+ 496-498 (Bron: Henk van Heerde)

In 1959 liet Roebers in het kader van de ruilverkaveling een nieuwe boerderij bouwen aan de Noordwal met een Hollandse grupstal voor 36 melkkoeien. Dat bouwen was nog een best ingewikkeld want er was toen nog geen waterleiding noch elektriciteit op de Noordwal.

In 1960 trouwde Harm Haasjes met de dochter van Roebers (Hennie) en Harm ging bij z’n schoonvader op de boerderij op de Noordwal werken, want inmiddels werkte z’n broer al bij zijn vader Reint op de boerderij op de Oldenhof.

In 1963 schafte Roebers z’n eerste trekker aan, een Mc Cormick van 18 pk, en even later ook een cyclomaaier. Dat was een geweldige vooruitgang want toen ging het maaien veel sneller en was dat gedonder met de maaibalk, steeds maar messen slijpen, verstoppingen tijdens het maaien, en dergelijke, eindelijk afgelopen. 

In 1970 richtten Harm Haasjes en z’n schoonvader de maatschap Haasjes-Roebers op.
Harm’s vader Reint overleed plotseling in 1971. Daar zijn broer inmiddels een bedrijf in de Noordoostpolder was begonnen, werd Harm door freule Sloet gevraagd of hij weer op de boerderij “den Oldenhof” wilde komen. Harm wilde er wel wonen, maar bij de Oldenhof was weinig gelegenheid om een modern gemechaniseerd melkveebedrijf te ontwikkelen, dus werd de oude boerderij door Haasjes-Roebers zo ingericht dat daar het jongvee van de boerderij aan de Noordwal opgefokt kon worden. Ook zieke of drachtige koeien werden daar gestald.

In 1973 werd een nieuwe ligboxenstal gebouwd bij de boerderij aan de Noordwal met plaats voor zo’n 50 melkkoeien. De nieuwe ligboxenstal kreeg een 2 x 3 doorloopmelkstal, glazen melkleidingen en de eerste melktank in deze regio. De oude stal aan de Noordwal werd toen ingericht voor het jongvee en de boerderij bij de Oldenhof raakte grotendeels buiten gebruik, op wat schapen na. Harm ijverde er nog jarenlang voor om van de boerderij op de Oldenhof een museum te maken over landbouwwerktuigen, geschiedenis van de Oldenhof, de theepottenverzameling, en dergelijke, maar kreeg daar onvoldoende steun voor.

Gerrit Jan Roebers overleed in 1975 en toen moest Harm Haasjes alleen verder met het bedrijf, later met hulp van zijn zoon Gert. Gert zou in 2010 de ligboxenstal verder uitbouwen en plaatse er een melkrobot met 2 x 3 units in. In 2020 woedde er een brand in het oude deel van de boerderij, met gelukkig weinig gevolgen voor mens en dier.
 

Fig. 8. Brand op de Noordwal. Bron: rtvoost.nl

Slot

Deze verhalen maken duidelijk dat voor de meeste boeren die in het kader van de ruilverkaveling een nieuwe boerderij lieten zetten dit een grote stap was die aanzienlijke investeringen en de medewerking van de bank vergde, iets waar men in deze regio tot die tijd meestal niet zo voor was. Maar de subsidies waren aanzienlijk en in de praktijk bleek het best doenlijk om de gedane investeringen af te lossen. De betere bedrijfsomstandigheden maakten niet alleen dat ze veel efficiënter konden werken (alle land rond het bedrijf) maar ook een stimulans vormden om het bedrijf verder te ontwikkelen. Veelal kwam er al snel na de verplaatsing een trekker, een melkmachine, een doorloopmelkstal, een cyclomaaier, en dergelijke.

De bedrijfsverplaatsing was ook voor de betreffende gezinnen een enorme verandering: qua woonomstandigheden een enorme sprong vooruit, maar sociaal niet altijd makkelijk om op de nieuwe plek te wennen en nieuwe contacten op te bouwen.

 

In een volgend artikel zullen we bezien, hoe het de boeren verging die niet kozen voor verplaatsing maar bleven boeren op hun oude plek in het Land Veno.