Ruilverkaveling 1

De ruilverkaveling Vollenhove – Blokzijl (deel I): waarom en wat.

Henk de Zeeuw, Boerderijenstichting Land van Vollenhove
(Gepubliceerd in Kondschap jrg 37 no 1, maart 2021)

De situatie in de Kop van Overijssel aan het begin van de vijftiger jaren van de vorige eeuw werd door de Gedeputeerde Staten van Overijssel omschreven als “een gebied dat kentekenen van een achtergebleven gebied gaat vertonen” en “met een betrekkelijk statisch karakter van de samenlevingen”. Een rapport van het Landbouw Economisch Instituut en het Economisch Technologisch Instituut voor Overijssel (LEI & ETIO, 1951) kenmerkte het Land van Vollenhove als een “voornamelijk agrarisch gebied dat bekend staat als een technisch onontwikkeld en weinig welvarend gebied”.

De problematische situatie in de landbouw in Land Veno rond 1950 werd als volgt gekenschetst:

  • Er is een grote groep te kleine niet levensvatbare bedrijven. Terwijl 7-10 hectare op dat moment werd gezien als het minimum voor een levensvatbaar bedrijf, was van de 304 bedrijven groter dan 1 hectare in de gemeente Vollenhove bijna 60 % tussen 1 en 10 hectare. Bovendien waren er heel veel eigenaren kleiner dan 1 hectare. Wel 30 % van de bedrijven werd verricht in deeltijd (naast een ander beroep).
  • Grote versnippering en verspreide ligging van percelen. In het Vollenhoofse deel van het gebied hadden de bedrijven gemiddeld 6 kavels per bedrijf in zeer verspreide ligging; slechts 38 % van de percelen lag dicht bij de boerderij (binnen een halve kilometer), bijna 30 % tussen 0,5 en 2 km, 24 % op 2-5 km en 8 % zelfs op meer dan 5 km van de boerderij. Alleen al voor het melken was men veel extra tijd kwijt door de lange afstanden die men moest rijden (of varen) naar en van het vee. Ook de verzorging van de verder weg gelegen gronden was problematisch (bemesting, onderhoud greppels en sloten, e.d.). De vele kleine percelen maakten dat mechanisering van de ruwvoerwinning en de akkerbouw maar beperkt mogelijk was.
  • Problematische bedrijfsopvolging. Op veel bedrijven (vooral die kleiner dan 5 hectare waren, maar ook deels op bedrijven van 5-10 hectare) was de boer al boven de 60 jaar maar was er geen opvolger. Bij de bedrijven groter dan 20 hectare waren juist vaak meerdere potentiële opvolgers aanwezig en was er dus gevaar van splitsing van de boerderij in de toekomst.
  • Veel huur van los land. Bijna 80 % van de boeren pachtten jaarlijks een groot deel (ca 50 % !) van hun bedrijf als los land op jaarlijkse grasland verpachtingen. Dit bevorderde natuurlijk niet de zorg voor dat land (het in stand houden van de bodemvruchtbaarheid, verbetering van de ontwatering, egalisatie, e.d.). Vanaf 1946 huurden ook veel bedrijven land bij in de Noordoostpolder (73 bedrijven, 497 hectare).
  • Gebrekkige ontsluiting van de weilanden in de lagergelegen gebieden, hetgeen de exploitatie ernstig belemmerde.
  • Gebrekkige waterbeheersing. Door de slechte toestand van de waterleidingen en onvoldoende capaciteit van de sluizen, duikers en gemalen had een deel van de percelen wateroverlast in natte tijden, maar andere percelen hadden juist last van verdroging in droge tijden.
    Melken met de hand (Bron: www.dbnl.org)
  • Veel boeren hadden nauwelijks landbouwonderwijs genoten. Slechts 23 % van de bedrijfshoofden (vaak alleen een wintercursus) en 25 % van de inwonende meewerkende kinderen (vaak lagere landbouwschool) hadden toen wat landbouwonderwijs genoten. In andere gemeenten in de het randgebied van de Noordoostpolder lagen deze percentages veel hoger (50 %-75 %).
  • Veel stadsboerderijen. In Vollenhove en Blokzijl waren nog veel stadsboerderijen die de meeste percelen ver van huis hadden, wat zeer inefficiënt was. Bovendien was de huisvesting van dier en mens vaak slecht en er kwamen onhygiënische situaties voor. Zo spoelden door de mestopslag achter/tussen de huizen nitraten uit naar het grondwater dat dan weer in het drinkwater werd opgepompt door de buren.
  • De vernieuwing in de landbouw bleef hier achter bij die in omringende regio’s. Er was nog geen waterleiding, dus de koeien moesten in de winter met handpomp en emmers worden verzorgd. De mest werd nog met de hand uit de stal verwijderd en deze werd veelal nog op de traditionele manier naar het land gebracht (paard en houten wagen) en met de hand uitgespreid. De gier moest met de hand uit de gierkelder gepompt worden (of zelfs nog met emmers eruit geschept worden). De kostprijs van de melk lag in die tijd in deze regio duidelijk hoger dan elders. Nog geen enkele boer in het Land van Vollenhove had in 1950 een melkmachine (in Blankenham al 5 en in Weststellingwerf al 35). Alleen de wat grotere bedrijven hadden een maaimachine en een hooischudder en -vergaarder met paardentractie. Slechts 7% van de bedrijven had een betonnen inkuilsilo (terwijl dit in Blankenham toen al meer dan 20% was).
  • Een behoudende cultuur. Veel boeren waren nog sterk gericht op het “boeren zoals ze het van hun vader geleerd hadden” en er werd weinig gewicht gehecht aan de adviezen van de rijkslandbouwvoorlichters. Ook was er een overwegend negatieve houding van de boeren in deze regio aangaande het lenen van geld. Daardoor waren de meeste boeren schuldenvrij (71% van de voltijdsboeren) ook al waren de inkomens laag, maar dat leidde ook tot een gebrek aan investeringen die het bedrijf beter zouden kunnen laten renderen.

Om tot verbetering van de werkomstandigheden voor de landbouw in het Land van Vollenhove te komen, werd een ruilverkaveling voorbereid en in 1957 stemmen de meeste boeren vóór de uitvoering daarvan (1590 stemmen voor en 433 tegen). Baron Van Boetselaer, burgemeester van Vollenhove, verzuchtte na de stemming dat “nu het achtergebleven gebied naar een hoger peil getrokken kon worden”.

Boeren uit het Land van Vollenhove voorafgaand aan de stemming over de ruilverkaveling Bron: Steenwijker Courant 27/4/1957

 

De ruilverkavelingen “Vollenhove” (2920 hectare) en “Blokzijl” (370 hectare) werden uitgevoerd in de periode 1957-1962 (met juridische afwerking tot 1967) en omvatten het Leeuwterveld en de Heven, het hoge land van Vollenhove, de Bentpolder, de Wendeliger weiden, de Barsbeker Binnenpolder, de Barsbeker Uiterdijken, de Blokzijler Uiterdijken, de Blokzijler Buitenlanden, de Baerlinger Noorderpolder, de Muggenbeet polder, het Land tussen de Diepen en de Zuiderpolder bij Blokzijl.
De ruilverkavelingscommissie stond onder leiding van Jan Lok van de boerderij ‘t Diekhuus aan de dijk van Vollenhove naar Blokzijl. Namens de boeren zaten er verder in: Lucas van Dalen van de Bergkampen, Albert Haasjes van de Schaarweg en Hendrik van Benthem (boerderij tegenover de Oldenhof). De burgemeester van Blokzijl fungeerde als ambtelijk secretaris. De commissie werd bijgestaan door deskundigen van de Landinrichtingsdienst.

De natuur- en landschapsorganisaties hadden geen zitting in de commissie (zoals in latere ruilverkavelingen wel het geval zou zijn) maar hadden incidenteel overleg met de landinrichtingsdienst en de commissie en hun invloed was nog vrij gering.

 

Een commissie bestaande uit mensen van de landinrichtingsdienst en een aantal lokale boeren deden de taxatie van alle gronden in het gebied. Dat was geen gemakkelijke taak want er was in dit gebied heel veel variatie in type en kwaliteit van de gronden: hoog/ laag, klei-op-veen, veen, zand, droog/nat, akker-/wei-/hooi-/riet-/kraggeland.

De ruilverkaveling omvatte de volgende activiteiten:

  • Bedrijfssanering en boerderijverplaatsing:
    Boerderij van Toon Zelhorst aan de Bisschopsstraat. Hij bouwde een nieuwe boerderij
    In totaal werden 53 nieuwe boerderijen gebouwd in nieuw ontsloten gebieden m.n. aan de Heven, aan de Zuiderzeeweg in de Uiterdijken van Blokzijl, aan de Noordwal in de Bentpolder en aan de Ettenlandsche weg in de Noordoostpolder. Er waren 75 nieuwe boerderijen voorzien in het plan, maar de belangstelling voor bedrijfsverplaatsing viel tegen. Een nieuwe boerderij kreeg veelal ca 15 ha toebedeeld want volgens berekening kon een boer met z’n zoon, of de boer met hulp van een loonwerker, een boerderij van 15 hectare met 20-22 melkkoeien bewerken en een redelijk inkomen verdienen. Maar er waren ook een paar grotere boerderijen tot wel 35 hectare. De te verplaatsen boeren bouwden een nieuwe boerderij veelal met een Hollandse grupstal, met automatische drinkbakjes, mestgoot, aparte ruimte voor de melkkoeling, brandvrije zoldervloer (van holle baksteen), meer ramen, en aparte ruimtes voor de paarden, het jongvee, de machines en de opslag van kunstmest. Voor de boerderijsanering en-verplaatsing kwamen allereerst 35 stadsboerderijen in Vollenhove en Blokzijl in aanmerking. De overige stadsboerderijen werden uitgekocht en de meeste daarvan werden omgezet in woonhuizen of afgebroken.
  • Bedrijfsvergroting De voor de bedrijfsvergroting nodige grond kwam vrij door toedeling van 250 hectare in de Noordoostpolder, door het uitkopen van ca 300-350 kleine boeren door Stichting Beheer Landbouwgronden SBL (ca. 200 hectare) en door boeren uit Giethoorn, Dwarsgracht, Jonen, Wetering en Zwartsluis die gronden in het ruilverkavelingsgebied in gebruik hadden (zo’n 240 hectare) vervangende gronden in de herontginningsgebieden Wetering-Oost en -West aan te bieden, als ze hun percelen hier afstonden. De vrijkomende gronden werden, voor zover niet nodig voor de nieuwe ontsluitingswegen en waterlopen en voor de nieuwe Provinciale weg van Vollenhove naar de Veneweg, toebedeeld aan boeren in het gebied die meer dan 5 hectare land in eigendom hadden, die voltijds boer waren en een opvolger hadden, met voorrang voor de te verplaatsen bedrijven. In totaal (inclusief de verplaatste bedrijven) werden 123 bedrijven vergroot tot minimaal 15 hectare. Dat betekende wel dat er ook na de ruilverkaveling toch nog een vrij groot aantal boeren overbleef die te weinig grond hadden om perspectief als boer te hebben.

  • Verbetering van de ontsluiting
    Graven van een bermsloot bij de verbeterde Hevenweg. Bron: Steenwijker Courant
    o.a. aanleg van nieuwe wegen door de Blokzijler Buitenlanden, door de Baerlinger Noorderpolder, een weg naar Muggenbeet, en de Zuiderzeeweg door de voormalige buitendijkse gronden tussen Vollenhove en Blokzijl; Verbreding/verharding van de Duinweg in het Leeuwterveld (tot dan een grindweg), de Hevenweg (een zandweg welke een groot deel van het jaar onberijdbaar was) en van enkele zandpaden op het hoge land (o.a. tussen het Dennebos en Heetveld) en van bestaande wegen in de Bentpolder en de Barsbeker binnenpolder.
  • Verbetering van de verkavelingstoestand: het bijeenbrengen en dichterbij de boerderij brengen van de percelen door kavelruil en boerderijverplaatsing en het vergroten van de percelen met name door smalle/lange percelen samen te voegen (op het hoge land ten koste van veel houtwallen en voetpaden).
  • Verbetering van de waterbeheersingn. door het graven/verbreden van vaarten en kavelsloten en aanleg van gemalen (o.a. het gemaal in de Hevenweg en het gemaal in de Bentpolder).
  • Grondverbetering: herontginning en/of egalisatie van 635 hectare; waterinfiltratie werd mogelijk gemaakt op 395 hectare; 50 hectare werd gedraineerd.
  • Bouwen van zestig woningen ter vervanging van de vele krotten in deze regio. In 1956 waren er in Ambt Vollenhove 57 (!) onbewoonbaar verklaarde woningen, een vrij groot aantal woonwagens (“keten”) en veel stadsboerderijen in slechte staat.

De toedeling van de verkavelde gronden was geen gemakkelijke taak voor de commissie, door de grote variatie in de kwaliteit daarvan. Er gingen stemmen op dat bekenden van de ruilverkavelingscommissie wat meer -of wat betere- gronden kregen toebedeeld dan mensen die wat verder van de commissie afstonden, maar daar was en is moeilijk hard bewijs voor te vinden.  

Zo rond 1964 waren de meeste werkzaamheden wel afgerond, maar zou het nog een paar jaar duren voordat alles ook juridisch helemaal in kannen en kruiken was en de boeren ook formeel eigenaar van de hen toebedeelde gronden werden. 

Bronnen o.a.:

  • Cultuurtechnische Dienst (1957) Rapport betreffende de ruilverkaveling van gronden gelegen in de gemeenten Vollenhove, Blokzijl, Marknesse, Blankenham, Steenwijkerwold, Giethoorn en Zwartsluis genaamd “Ruilverkaveling Vollenhove”, Utrecht
  • LEI en ETI’s Overijssel en Friesland (1951) Het randgebied van de Noordoostpolder; Een economisch-geografisch onderzoek, Den Haag
  • Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst voor Overijssel (1952) Landbouwverslag Overijssel 1951-1952, Zwolle