Ruilverkaveling 3
De ruilverkaveling Vollenhove – Blokzijl (deel III): Hoe verging het hen die op de oude boerderij bleven?
Henk de Zeeuw, Boerderijenstichting Land van Vollenhove
(met dank aan Albert en Tiny van der Linde en Harm Jan en Lammie Spans)
(Gepubliceerd in Kondschap jrg 37 no 4, december 2021)
In een eerder artikel in Kondschap vertelde ik van het waarom, wat en hoe van de ruilverkaveling begin zestiger jaren van de vorige eeuw. Een volgend artikel verhaalde van de ervaringen van enkele boerengezinnen die toen hun bedrijf verplaatsten naar de Bente, de Heven of de Noordoostpolder.
Maar hoe verging het de boeren die hun bedrijf niet verplaatsten en op dezelfde plek bleven boeren?
(Te) kleine bedrijven en oudere boeren zonder opvolger
Dat waren allereerst de boeren die een te klein bedrijf hadden om voor bedrijfsverplaatsing in aanmerking te komen. In 1950 was ca 60 % van de boerenbedrijven in de gemeente Vollenhove kleiner dan 10 hectare, waaronder veel bedrijfjes kleiner dan 3 hectare, terwijl 15 hectare toen werd gezien als het minimum voor een levenskrachtig weidebedrijf. Veel van deze boeren hadden dan ook andere werkzaamheden naast hun boerenactiviteiten: rietteler, visser, werk in de polder, of andere bijbaan. Bijna één derde van de bedrijven had geen opvolger.
De boeren die op zelfde plek bleven boeren, namen wel deel in de kavelruil en kregen daardoor hun land dichterbij huis en in grotere kavels. Maar de kleinere boeren investeerden weinig – door gebrek aan vermogen en geringe animo om te lenen- en liepen daardoor ook de vele subsidies mis die tijdens de ruilverkaveling en de daaropvolgende streekverbetering beschikbaar waren voor allerlei innovaties (bouw stal, melklokaal, aanschaf melkmachine, e.d.)
Veel van de kleinere boeren en de oudere boeren zonder opvolger zouden in verloop van de zestiger en zeventiger jaren verdwijnen. De lonen buiten de landbouw waren vaak beter dan wat ze op het boerenbedrijf overhielden. En het werd steeds moeilijker voor hen om de vernieuwingen in de landbouw bij te houden zoals de komst van de trekker, de melkmachine, de melktank, de bouw van een ligboxenstal, en dergelijke. Elk zo’n investering was voor een kleine boer dan ook steeds een moment om te overwegen: stoppen of doorgaan. Stoppen werd ook door de overheid bevorderd: de landbouwvoorlichters raadden boeren met minder dan 15 hectare aan zich op een beroep buiten de landbouw te oriënteren. Tevens konden boer-eigenaren ouder dan 65 jaar met hoofdberoep “boer” bij bedrijfsbeëindiging ondersteuning van de overheid aanvragen, onder de voorwaarde dat ze hun boerderij aan de Stichting Beheer Landbouwgronden (SBL) verkochten. Deze regeling werd in latere jaren verruimd, waardoor ook jongere boeren van de regeling gebruik konden gaan maken, hetgeen de sanering behoorlijk versnelde.

Het aantal bedrijven in het ruilverkavelingsgebied nam snel af en in 1971 bleven er nog 155 boeren over van de 453 die er in 1950 waren.
De grotere “blijvers”
Andere boeren hadden wel in aanmerking kunnen komen voor bedrijfsverplaatsing in het kader van de ruilverkaveling maar deden dat niet omdat ze hun bedrijf van voldoende omvang en kwaliteit vonden om de toekomst aan te kunnen op de huidige locatie. Of ze zagen het niet zitten om grote nieuwe investeringen te moeten doen om “in de polder” een nieuw bedrijf te beginnen en daar “ver weg” te gaan wonen. In die tijd waren veel boeren in deze regio nog terughoudend om grotere leningen aan te gaan. Daarbij speelde soms ook het geloof een rol. Binnen de CBTB-Overijssel woedde in de Afdeling Vollenhove-Blokzijl in 1954 nog een hevige “grondslagen”- discussie. Een groep leden vond dat de christelijke beginselen in de statuten onvoldoende waren aangegeven. Bovendien verklaarden zij zich tegenstander van de subsidies die de overheid verleende die ze “zilveren koorden als een strop om de keel” noemden (HCO-Archief CBTB).
Van de blijvende boeren kregen alleen zij die meer dan 5 hectare land in eigendom hadden, voltijd op de boerderij werkten en een opvolger in huis hadden, extra grond toebedeeld om tot een levensvatbare omvang (minimaal 15 hectare) te komen. Maar zij profiteerden veel minder van de grote investeringen in toegangswegen en de waterbeheersing en de forse subsidies op de boerderijbouw en aanverwante vernieuwingen dan zij die naar de diverse polders verplaatst werden. De beëindiging van veel “niet levensvatbare” bedrijven in de zestiger en zeventiger jaren gaf de “blijvende” bedrijven kansen op bedrijfsvergroting. Zij konden nu grond huren of kopen die de “wijkende” boeren achterlieten, waardoor de gemiddelde bedrijfsgrootte in de Gemeente Vollenhove steeg van gemiddeld 11,3 hectare/bedrijf in 1961 naar 20 hectare in 1980.
Laten we eens kijken hoe het twee van de wat grotere “blijvende” boeren verging voor en na de ruilverkaveling.
Van der Linde, Leeuwte 55
Luite van der Linde bewerkte de boerderij Barsbeek 18 tegenover het haventje ‘t Veentje en naast de -toen al gesloten- melkfabriek. Dat was toen een gemengd bedrijfje waar – naast de 10 koeien en twee a drie zeugen- haver, rogge en aardappelen werden verbouwd op de hogere kamplanden, en hij riet teelde in het kraggenland.
Luite had er lang over nagedacht of ze bedrijfsverplaatsing in het kader van de ruilverkaveling aan zouden vragen en een moderne boerderij te laten bouwen op de nieuwe plek. Maar dan moest hij het rietland opgeven en dat wilde hij niet. In plaats daarvan verhuisde het gezin in 1962 naar Erve “de Linde”, het stamhuis van de Van der Lindes, nadat er achter de oude boerderij een nieuw woonhuis was gebouwd. In het voorhuis van de oude boerderij (uitkijkend naar de Moespotvaart) woonden toen nog de ouders van Luite.

Luite bewerkte toen bouwland op de Leeuwterkampen en weilanden in de Leeuwter Voorslagen en aan de Duinweg in het Leeuwterveld. Hij molk met hulp van zijn vrouw aanvankelijk zo’n 12 koeien en elk jaar kwam er één koe bij. De koeien stonden ’s winters in de grupstal en de kalveren in een soort potstal. Er was één paard waarmee het land bewerkt werd. Het gras werd gemaaid met een maaimachine die door het paard getrokken werd maar waarbij het mes aangedreven werd door een benzinemotortje. Het hooi werd met een hooiwerktuig op “swillen” geveegd. De kinderen moesten er achteraan om de “swilstaart” (de achtergebleven resten) aan te harken. Het hooi werd op het land gedroogd en in oppers gezet als er regen dreigde. Het hooi werd met de kar naar de boerderij gebracht en daar met de vork omhooggestoken. Een jakobsladder of hooiblazer gebruikten ze niet. In de vijftiger jaren waren loonwerkers ontstaan, die geleidelijk aan meer taken op het boerenerf gingen uitvoeren. Aanvankelijk werden ze door Luite vooral ingezet om pakjes hooi te persen. Die pakjes werden dan met behulp van een -van de overbuurman geleende- lier met het paard omhoog de schuur in getakeld.
In de ruilverkaveling raakte Vader Luite het bouwland op de kamp kwijt en kreeg hij er meer weidegrond voor terug. Dat vond hij niet erg want behoud van zijn weide- en rietland was veel belangrijker voor hem dan het bouwland.
In 1965 werd de eerste weidemelkwagen aangeschaft: een Gascoigne met staande ketels; de koeien moesten met de kop aan de wagen vastgezet worden. Toen er meer koeien kwamen werd deze wagen nog een keer vergroot. In datzelfde jaar werd ook de eerste trekker aangeschaft: een Porsche 20 pk, tweedehands overgenomen van een andere boer.
Zoon Albert (van 1950) volgde intussen de MULO en kwam vanaf 1966 bij z’n vader werken op de boerderij. Die pachtte toen wat bunders rietland bij om die extra arbeidskracht ten volle te benutten Samen sneden ze toen zo’n 20 (!) hectare riet, zowel bladriet (vanaf ca half september; die werd verkocht naar de bollenstreek) als dekriet (vanaf ca half december). Het oogsten van het bladriet vond vooral plaats langs de randen van de rietpercelen en de stukken waar veel onkruid groeide, waardoor het oogsten van het dekriet een stuk makkelijker werd.

Geleidelijk aan zou het inkuilen het hooien gaan verdringen. Daarbij werd aanvankelijk vers gras in een ronde bult gebracht, die in de loop van dagen steeds hoger werd en dan afgedekt werd met een laag grond. Dat resulteerde in een behoorlijk stinkende kuil van slechte kwaliteit en grote voerverliezen. Eind zestiger jaren ging de loonwerker met een opraapwagen het gras (na voordrogen) van het land halen en op een langwerpige kuilbult brengen die afgedekt werd met landbouwplastic en grond en/of banden, met veel betere resultaten. “Je snapt niet dat we vroeger de koeien die stinkkuil voerden”. In 1970 werd de oude trekker vervangen en werden ook een hooischudder en een cyclomaaier aangeschaft.
In 1972 werd vader Luite ziek (hij zou in ‘73 overlijden) en nam Albert de leiding van de boerderij over. Noodgedwongen moest toen de hoeveelheid rietland drastisch beperkt worden.
In 1975 werd een doorloopweidewagen overgenomen van een collega-boer die toen een ligboxenstal bouwde. Dat scheelde heel wat werk en tijd. In 1977 kwam er een gekoelde melktank en werd er een ringleiding in de stal aangelegd waardoor ’s winters de melk direct naar de tank liep. ’s Zomers werd de melk bij de weidewagen opgeslagen in een kleine tank op een kar, die dan bij thuiskomst geleegd werd in de grote tank.
In datzelfde jaar werd hij lid van de “ring Vollenhove” van het K.I.-station Meppel, omdat hij het zat was om steeds met een tochtige koe naar de boer aan de overkant te moeten en omdat hij geen idee had wat de kwaliteit van diens stier was. Hij was ook lid van de Coöperatieve Melkfabriek in Vollenhove en van de CBTB.
In 1976 was Albert de eerste in deze regio die een kuilsnijder aanschafte. Dat scheelde een hele hoop (vaak koud/nat) handwerk, hoewel die eerste kuilsnijder ook nog best bewerkelijk was (drie keer instellen om een vierkant blok los te kunnen snijden).
In dat jaar trouwde Albert met Tiny uit Genemuiden. Zij verzorgde voortaan het jongvee en hielp waar nodig met het afkalven. Helpen met melken hoefde niet meer want door de melkmachine kon Albert dat nu alleen af.
In 1986 werd een ligboxenstal gebouwd achter de oude boerderij. In het voormalige woongedeelte werd een doorloopmelkstal gebouwd. Over de bouw van die stal was wel lang nagedacht want een investering van f 200.000 deed je niet zomaar. Hoewel de stal op de groei was gemaakt, kon de veestapel niet uitgebreid worden vanwege het in 1984 ingestelde melkquotum.
In 1987 kocht Albert een opraapwagen zodat hij vers gras kon maaien op de percelen aan de Duinweg en dat naar huis rijden om het vers aan de koeien te voeren.

Volgens Albert waren de tachtiger jaren goede jaren voor de melkveehouders ondanks het melkquotum, want de prijs van de melk was in die jaren erg hoog, zelfs hoger dan wat de boer nu krijgt terwijl de productiekosten toen veel lager waren.
Dat Albert het boeren in de praktijk heeft moeten leren is niet af te zien aan zijn resultaten: in de tachtiger en negentiger jaren won hij vaak de eerste prijs voor de kwaliteit van de melk, eens zelfs tien jaar achtereen. De bordjes die hij daarvoor kreeg uitgereikt, hangen nog steeds trots in de hal aan de muur. Ook zijn op de MULO opgedane kennis kwam van pas in de vele bestuursfuncties die hij zou vervullen (o.a. CBTB-kring secretaris, bestuur melkfabriek, penningmeester Vereniging voor Landbouwvoorlichting).
In 2004 besloot Albert het melkvee de deur uit te doen. Hij zat tegen de pensioengerechtigde leeftijd, de kinderen wilden geen boer worden, en er was nu de mogelijkheid om de waarde van het melkquotum te verzilveren. Sinds die tijd houdt hij zich bezig met het opfokken van kalveren. Een handelaar brengt kalveren van 2 weken oud die hij opfokt tot ze als zes a zeven maanden drachtige vaarzen weer verkocht worden. Daarnaast is hij nog steeds actief in het riet, maar de prijs loopt terug en de concurrentie met buitenlands riet wordt groter.
Spans, Barsbeek 17
Harm Jan Spans werd geboren in 1943 op de boerderij Barsbeek 17. Zijn moeder Truitje was toen al hertrouwd met Willem van Benthem, een vooruitstrevende boer die destijds de boerderij met zo’n 15 hectare weide en hooiland goed bestierde. Van dat land lag maar zo’n 2,5 hectare direct bij huis, de rest waren buitendijkse weilanden bij de Noorde. De boerderij werd in de vijftiger jaren aangepast en vergroot zodat er een Hollandse grupstal met meer stalruimte voor het melkvee ontstond. Het jongvee stond nog in een potstal. Verder wat varkens en kippen. Van Benthem huurde ook zo’n 1,5 ha bouwland waarop hij rogge en aardappels verbouwde. Van Benthem was houder van een stamboekstier met veel klanten uit de hele buurt.
Het melken werd gedaan door drie personen die ’s morgens en ’s avonds ver van huis (in de Noorde) de koeien molken. ’s Zondags werden de melkbussen niet ter plekke opgehaald en dan fietsten ze wel eens met drie bussen aan de fiets terug naar huis.
Het hooien ging tot eind jaren vijftig met paardentractie: eerst maaien met de maaimachine met twee paarden ervoor, dan 4-5 dagen drogen op het veld en dan schudden en als het hooi droog was op swillen vegen met de Nicholson hooimachine (met 3 bladen met harkjes). Vervolgens kwam er aan weerskanten van een swil een paard en werd er tussen hen een touw om het hooi geslagen zodat het hooi op een bult gesleept kon worden, die dan nog verder afgewerkt moest worden (“scherpen”) zodat het hooi zo droog mogelijk bleef tot het opgehaald kon worden.
Bij het inkuilen werd gedurende 3-4 weken het gras op een bult gebracht en werd er met de hand grond opgebracht. Die kuil stonk behoorlijk van het boterzuur en van de zijkanten moest je vaak wel 25 cm of meer weggooien omdat daar de kuil verrot was (te veel lucht erbij).
Later gingen ze het gras, na 2 dagen voordrogen in de wei, in een dag of twee in een ronde silo brengen onder toediening van een middel om de zuurvorming te remmen. Daarna werd de bult direct geheel luchtdicht afgedekt. Toen bleef de kuil van veel betere kwaliteit.
In 1959 haalde Harm Jan zijn diploma lagere landbouwschool. Hij bleef bij vader Willem op de boerderij werken. Rond die tijd werd ook de eerste trekker aangeschaft (een Kramer 13 pk). De komst van de trekker maakte het werken op de boerderij een stuk lichter. Met de komst van nieuwe machines werd het in de zestiger jaren allemaal nog een stuk sneller en makkelijker en waren er minder arbeiders nodig. Het maaien ging nu met een maaibalk op de trekker. Bij het hooien werden de oppers nu gemaakt met een schuif voorop de trekker. Het in de schuur brengen van het hooi ging veel makkelijker met hulp van een transportladder. Vanaf begin zestiger jaren werd het hooi ook wel door een loonwerker geperst en ging deze ook werk overnemen bij het inkuilen en bij het uitrijden van de mest.

In 1969 trouwde Harm Jan met Lammie Boxum en gaan ze op de boerderij Barsbeek 17 wonen. Die boerderij had inmiddels bijna veertig koeien, maar omdat de kinderen van stiefvader Willem en zijn broer ook hun aandeel moesten hebben, begonnen Harm Jan en Hammie met slechts 10 koeien, 6 kalfjes en 6 hectare weiland. Harm Jan werd net als z’n stiefvader lid van de melkcontrolevereniging, het K.I.-station in Meppel, de bedrijfsverzorgingsdienst, en (bestuurs-) lid van de CBTB.
Harm Jan was één van de eersten in het Land van Vollenhove die een weidemelkwagen aanschafte. Later werd deze vervangen door een wagen met doorloopmelkstal, toen kon je droog en meer koeien tegelijk melken. Bovendien liepen de koeien er nu vanzelf in en hoefde je ze niet eerst allemaal vast te zetten. De melk liep nu ook direct naar de bussen. Op de grupstal moest je echter nog steeds met de volle ketel naar de “geute” lopen waar de melkbussen stonden. Midden zeventiger werd er een melkleiding in de grupstal gemaakt waardoor dat gesleep met die ketels afgelopen was. In die tijd werd in de stal ook een mestschuif in de grup aangebracht, waarmee de mest direct vanuit de stal op een mestverspreider kon worden gebracht. Zoveel mogelijk verspreidden ze dan dagelijks de mest over een perceel (voor de ruilverkaveling zou dat niet mogelijk zijn geweest door de hogere waterstanden destijds).
Begin jaren zeventig begon hij snijmais als krachtvoer te gebruiken.
In 1978 was het bedrijf gegroeid tot 20 hectare: 2,5 hectare op de zandgrond, 9 hectare veengrond en 8,5 hectare kleigrond (in de Noorde).
De grootste verandering in het bedrijf kwam met de beslissing om een ligboxenstal te bouwen. In ‘79 was Spans de tweede in het Land van Vollenhove met zo’n moderne stal (de eerste was waarschijnlijk Arie Lassche, Leeuwte 66). Een doorloopmelkstal en een melklokaal met melktank werden ingebouwd. De nieuwe stal betekende dat het aantal koeien verder kon worden uitgebreid.
Er werd in het dorp heel wat afgepraat over deze nieuwigheid en niet altijd in positieve zin want veel mensen vonden zo’n stal maar een heel raar en lelijk ding en grote geldverspilling.

Begin tachtiger jaren kreeg Spans de kans om 21 hectare “natuurland” in de Barsbekerbinnenpolder te pachten van Natuurmonumenten. Spans was al begin jaren zeventig een beheersovereenkomst met Natuurmonumenten aangegaan voor een paar hectare land dat binnen het natuurgebied lag. Hoewel er wel eens wat wrijving was geweest, bijvoorbeeld als ze iets eerder dan de afgesproken datum het gras maaiden, was de verhouding met Natuurmonumenten overwegend goed geweest. Dat zij zoveel land konden pachten van Natuurmonumenten kwam door het feit dat er in die tijd de veeziekte IBR heerste waarbij besmetting “over de draad” kon optreden. Dat was de reden dat Natuurmonumenten op aangrenzende percelen uitsluitend vee van één IBR-vrije boer wilde hebben. Dit “natuurland” gebruikte Spans om twee keer te maaien en daarna werd het jongvee erin gezet.
Lammie deed al die jaren de verzorging van het kleinvee (varkens, kippen, jongvee) en veel administratieve zaken, wat ook veel fietswerk inhield (naar de administrateur in Hasselt, naar de melkfabriek of molenaar Van Benthem, en dergelijk). Ook het vele bezoek dat over de vloer kwam (voorlichter, veearts, inseminator, veevoer- en kunstmesthandel, ….) werd door haar ontvangen.
Zoon Hermen was van jongs af aan degene die het meest in het boerenbedrijf geïnteresseerd was. Hij deed de MAS in Meppel en de veehouderijpraktijkschool in Oenkerk en daarnaast allerlei cursussen (zo insemineert hij ook zelf). In 1997 gingen vader en zoon een maatschap aan en in 2003 nam Hermen het bedrijf helemaal over. Het bedrijf was toen al gegroeid tot 85 koeien, 30 ha weiland plus 32 hectare “natuurland”. Hermen en zijn vrouw bouwden het bedrijf verder uit en schakelden geheel over op de biologische veehouderij. In 2014 starten ze met natuurboerderij en vergaderlocatie “Weidevol” aan de weg naar Zwartsluis. Het bedrijf aan de Barsbeek bleef in gebruik aanvankelijk vooral voor het jongvee en zieke dieren, maar vanaf 2019 werd het opfokken van het jongvee uitbesteed, werd een melkrobot geplaatst en kwamen hier de “nieuwmelkte” koeien te staan.