Typen historische boerderijen

Ontwikkeling van diverse typen boerderijen in het Land van Vollenhove (tot ca 1970)

Het Land van Vollenhove telt vele historische en karakteristieke boerderijen. U kent ze wel: vaak rietgedekt, sommige met een “kamelenrug”, andere met van die grote “baander”deuren aan de zijkant, vaak met een zandloper erop geschilderd. Soms grote boerderijen, maar ook kleinere zoals de vervenershuizen en de “plaatsjes” voor de land- en veenarbeiders (waar vroeger vaak een koe of varken in de schuur stond).

Die boerderijen bepalen sterk het “gezicht” van onze streek, ook als ze al lang niet meer in agrarisch gebruik zijn. Veel van deze boerderijen zijn in de loop van de tijd verbouwd en voor bewoning of ander gebruik geschikt gemaakt.

N.B.: Onderstaand overzicht is een eerste poging om de verschillende types oudere boerderijen in het Land van Vollenhove te schetsen. Aanvullingen en verbeteringen zijn altijd welkom. Weet u meer? Neem dan vooral contact met ons op!

Het Land van Vollenhove telt vele historische en karakteristieke boerderijen. U kent ze wel: vaak rietgedekt, sommige met een “kamelenrug”, andere met van die grote “baander”deuren aan de zijkant, vaak met een zandloper erop geschilderd. Soms grote boerderijen, maar ook kleinere zoals de vervenershuizen en de “plaatsjes” voor de land- en veenarbeiders (waar vroeger vaak een koe of varken in de schuur stond).

Die boerderijen bepalen sterk het “gezicht” van onze streek, ook als ze al lang niet meer in agrarisch gebruik zijn. Veel van deze boerderijen zijn in de loop van de tijd verbouwd en voor bewoning of ander gebruik geschikt gemaakt.

In het Land van Vollenhove zijn meerdere boerderijtypes te onderscheiden, in verschijningsvorm (buitenkant) en in opbouw (binnenkant). Dat komt door de verschillen in bedrijfsvoering en de periode waarin deze boerderijen werden gebouwd overeenkomstig het gebruik in die tijd, de kenmerken van het gebied waarin ze ontstonden  en ander factoren (onder andere ruilverkavelingsboerderijen en wederopbouw boerderijen na W.O.II)

We bespreken eerst diverse boerderijtypen van het hoge land (de keileembult; zie figuur 1 het deel binnen de zwarte lijn) in de volgorde zoals ze in de tijd ontstonden in samenhang met de ontwikkeling in de landbouw en de techniek.

Fig. 1 Het hoge land van Vollenhove en omringende veengebieden

Vervolgens kijken we naar de boerderijtypen in de lager gelegen (grotendeels verveende) gebieden, waar dezelfde grondpatronen als bij de historische boerderijen worden aangetroffen, maar met belangrijke verschillen in de uitvoering vanwege de specifieke lokale condities, met name de smalle percelen en waterige omstandigheden.

Tenslotte bespreken we een aantal andere typen boerderijen die in de regio kunnen worden aangetroffen. Bij deze typen waren er vaak specifieke omstandigheden (stadsboerderij, steun aan arme landarbeiders, brand, ruilverkaveling, nieuwe inpoldering) die tot hun ontstaan en een afwijkend ontwerp leidden.

 

1. Op het hoge land

1.1. Het hallehuis

De historische basis voor de meeste boerderijen in het Land van Vollenhove wordt gevormd door het driebeukige hallehuis (zie figuur 2).

Fig. 2 Driebeukige structuur van het hallehuis (bron: Reeskamp, 1977).

Aanvankelijk was het één ruimte waar mens en dier beiden onderdak vonden. Vanaf ca 1350  zou men het woongedeelte gaan afscheiden met een gevlochten of houten wand. De vuurplaats bleef nog lange tijd op de deel omdat de rook het daarboven opgeslagen ongedorste graan beschermde tegen schimmel en dergelijke. De toepassing van het ankerbalkgebinte, waarbij de dwarsbalken dóór de stijlen werden gestoken en met een klamp aan de achterzijde vastgezet (zie figuur 2), werd kenmerkend voor dit type boerderijen. Het geheel van stijlen en dwarsbalken vormden het “vierkant werk”, een structuur die eeuwenlang de basis voor de boerderijen hier zou vormen. De stijlen stonden op een kei (later een vierkant stenen muurtje: poeren) en boven op de stijl lag een horizontale balk (de plaat), waarop de sporen van het dak rustten.

Het middenlangsdeel type werd gekenmerkt door een brede deel die in het midden van voor naar achter liep met in de achterwand schuurdeuren om wagens met oogst en voer naar binnen te kunnen rijden (zie figuur 3).

Fig. 3 Schema middenlangsdeel type (Bron: Hekker 1958; w.k.= woonkamer)

De koeien stonden in potstallen in de twee zijbeuken met de kop naar de deel, vastgebonden aan palen. Als de potstal leeg was, was die ca 75 cm diep. In de zijbeuken vaak ook een varkensstal, turfhok en paardenstal.
Direct achter het woongedeelte werd de deel gebruikt voor dorsen, karnen, de pomp, het schoonmaken van het melkgerei en andere activiteiten.

Rond 1600 bestond het “vierkante werk” veelal uit zes stel stijlen, verbonden door dwarsbalken, waarvan de eerste en laatste stijl in de voor- resp. achterwand waren opgenomen. In latere jaren zouden aan de achterzijde paren stijlen worden toegevoegd, of werd aan de voorkant een nieuw woongedeelte gebouwd (na 1750 vaak in steen), zodat de boerderij langer werd en er meer stal- en deelruimte ontstond. De vuurplaats werd nu in het woonvertrek ingebouwd aanvankelijke met een houten schouw en later een hoog opgemetselde schoorsteen aan de voorzijde (zie figuur 4).  

Fig. 4. Leeuwte 43 vóór de restauratie (foto’s Hans van Beelen, Openluchtmuseum 1947)

Van de oorspronkelijke indeling van het middenlangsdeel type boerderij zijn geen gave voorbeelden meer te vinden in het Land van Vollenhove. Maar Leeuwte 43 heeft nog wel de daarvoor kenmerkende baanderdeur in de achtergevel (zie figuur 4b).

Het woongedeelte kende vaak in de éne zijbeuk een melkkelder met daarboven een opkamertje en/of kast en bedstede en in de andere zijbeuk de bedsteden en een kast. In het middengedeelte werd gewoond, gekookt, gegeten en werden andere bezigheden verricht zoals spinnen, weven, e.d.  

In het Land van Vollenhove waren overwegend gemengde bedrijven (met vee en akkerbouw). Het ongedorste graan werd bewaard op lange boomstammetjes (slieten) die over de dwarsbalken boven de deel waren gelegd. Het hooi werd bewaard in een kapberg, schuur of mijt op het erf. Vaak stond er nu een bakhuisje naast de boerderij en losse schuren voor werktuigen, varkens en (waar nog heide was) de schapen.    

1.2. Het dwarsdeeltype  

Naarmate in de loop van de achttiende eeuw de bedrijfsomstandigheden verbeterden en men meer vee kreeg, werd het te veel werk om het hooi steeds van buiten naar binnen te slepen. Ook het toenemend belang van de veeteelt ten opzichte van de akkerbouw op het gemengde bedrijf speelde hierbij een rol. Men ging nu in de boerderij het achterste vak van de middenlangsdeel gebruiken om hooi op te slaan (zie figuur 5). Maar daardoor werd de achterdeur geblokkeerd, waardoor men de deeldeuren verplaatste naar de zijkant ter hoogte van het nog vrije voorste deel van de deel, die nu een dwarsdeel was geworden, waar gedorst en gekarnd werd. Om de hoge hooiwagens toe te kunnen laten tot de deel, lichtte men het dak, waar de zijdeuren (baander) moesten komen, wat op, zodat er hogere deuren in de zijmuur geplaatst konden worden. 

Fig. 5 Schema dwarsdeeltype (Bron Hekker, 1958; w.k. = woonkamer)

De potstal verhuisde van de zijbeuken naar de vroegere middenlangsdeel, door een paadje gescheiden van het hooivak en omgeven door een hek (zie figuur 6). Die verhuizing was niet alleen om plaats te maken voor zijdeuren/dwarsdeel, maar ook omdat men zo een grotere potstal verkreeg waar men meer vee kon houden en waar meer mest werd geproduceerd (dus kon men meer graan verbouwen!).

Fig. 6. Een potstal op de vroegere middendeel

De bekende “Caterstee” boerderij (zie figuur 7), die in 1943 van de Kadoelen naar het Openluchtmuseum in Arnhem verhuisde, werd ca 1775 gebouwd en heeft al een zijdeur (baander) en dwarsdeel, maar het dak is niet opgelicht bij de deuren (zoals later veelal zou gebeuren) maar de deuren zijn naar binnen geplaatst om de nodige hoogte te verkrijgen voor de hooiwagens.

Fig. 7 Caterstee uit de Kadoelen met vroege zijbaander (foto Openluchtmuseum)

1.3. Hallehuis met zijschuur

Later zouden de hooiopbrengsten en het aantal koeien zo groot worden dat men nog meer ruimte zocht. Naast meer plek voor de dieren en het hooi, had men ook meer ruimte nodig voor de karnmolen aangedreven door een paard (rosmolen) of een hond (lopend in een verticaal rad). Op het hoge deel van het Land van Vollenhove koos men er dan vaak voor om een zijschuur aan de boerderij te bouwen, waarin behalve hooivakken ook de karnmolen en jongvee of varkens een plek vonden (zie figuur 8 en 9). Dat soort zijschuren zag je al eerder in Drenthe en de Stellingwerven voordat het hier werd toegepast.  

Fig. 8 Plattegrond van boerderij Ooster Maanbeke aan de Leeuwte (afgebroken in de 60-er jaren) met links het oude hallehuis met middenlangsdeel en achterbaander- en rechts de later aangebouwde zijschuur met rosmolen, hooivak en varkenshokken tegen de zijwand (bron: K. Uilkema, 1924).
Achteraanzicht van boerderij Ooster Maanbeke (Foto Klaas Uilkema, 1924)

Nadat de potstal zijn functie verloor, doordat men in het laatste kwart van de 19e eeuw ook andere meststoffen (stadsvuil/paardenmest, beendermeel, kainiet, e.d.) dan de eigen koeienmest ging gebruiken, en later ook kunstmest, zouden veel potstallen op de middendeel geleidelijk aan vervangen worden door een grupstal in de zijbeuk, waarbij de koeien met de koppen naar de deel stonden. Achter de koeien was een smal “melkgangetje” en mestdeurtjes in de zijmuur, waardoor de koeienmest kon worden verwijderd. Later zou hier een mestgoot worden gemaakt met aan het eind een deur in de achtergevel, zodat de mest hierdoor naar buiten kon worden gekruid. Maar bij veel boeren bleef het jongvee nog lang in een potstalletje staan.

Na de komst van de melkfabriek begin 20ste eeuw en de opkomst van het inkuilen zijn veel van de zijschuren weer afgebroken daar er minder ruimte nodig was voor karnen en hooiopslag, zo’n schuur veel onderhoud vergde en het gebinte elders weer gebruikt konden worden.  

Vaak was er vóór op de deel een pomp, de spoelruimte en daarnaast een afgescheiden karnruimte. Bij de grotere boerderijen bevond zich hier ook vaak een knechtenkamertje.

1.4. Dwarsdeeltype verlengd en met twee stel baanders  

Andere boeren (vooral de wat grotere boeren op het hoge deel van het Land van Vollenhove) kozen ervoor om de boerderij te verlengen door aan de achterzijde van de schuur één of meer “vakken” (de ruimte tussen twee stel spijlen) toe te voegen zodat men meer hooivakken achter elkaar kon zetten. Vaak kwam er dan een stel baanderdeuren en een dwarsdeel direct achter het woonhuis en tweede baander/dwarsdeel achterin net een ruimte overlatend voor een rij varkenshokken of stalruime voor het jongvee (zie figuur 10 en 11).

Fig. 10 Schema dwarsdeeltype met twee stel baanderdeuren (Bron: Schelhaas en Molenaar)
Fig. 11 Erve Wildinge (Leeuwte 51): de oorspronkelijke boerderij uit 1791 werd in 1900 vergroot tot de huidige statige boerderij met twee stel baanderdeuren (en kleurige zandlopers als teken van status) (Foto: Philip Friskorn, 2021)

Met de komst van dergelijke grote boerderijen en toenemende specialisatie op veeteelt verdwenen daar geleidelijk aan oudere bijgebouwen als hooiberg, varkensschuur, e.d. 

1.5 Dwarsdeeltype met bultrug/ Vervenershuis
Langs de kleine Leeuwte vestigden zich in de 17e en 18e eeuw veel turfboeren. Deze turfboeren hadden vaak een aantal turfmakers in vaste dienst die elk met een ploeg seizoenarbeiders -ook hannekemaaiers uit Duitsland- stukken land uitbaggerden en tot turf verwerkten. Vaak zullen ze al wat vee gehouden hebben, maar toen eind 18e eeuw het veen hier opraakte gingen zij -als ze niet vertrokken naar Drenthe of Friesland- zich meer richten op de veeteelt. Dat werd rond 1900 ook makkelijker omdat toen de melkfabrieken het karnen van de boeren overnamen wat arbeiders en veenboeren altijd een rem op het vergroten van het aantal koeien betekende bij gebrek aan ruimte en arbeidskracht. 
Om meer hooi te kunnen bergen, zouden velen de schuur van hun vervenershuis verbreden door de spijlen in de breedte verder uit elkaar te zetten waardoor ze de schuur ook konden verhogen. Hierdoor ontstonden de typische “kamelen-”rug boerderijtjes met een hoge schuur, vaak met één zijbaander, en een smaller en lager voorhuis (zie figuur 12).

Deze bouwwijze was niet beperkt tot de turfboeren, ook andere kleinbehuisde boeren en zelfs bij een enkele grotere boerderij koos men ervoor om niet een zijschuur bij te bouwen of de schuur te verlengen, maar om het schuurgedeelte te verbreden en te verhogen.

Fig. 12 Boerderijtje (ex-turfboer) met bultrug (Kleine) Leeuwte 67 (Foto: Vincent Erdin, 2021)

1.6. Dwarsdeeltype met dwarshuis

Het voorhuis staat hier dwars op de schuur (zie figuur 13). De achtergrond hiervan is waarschijnlijk de behoefte aan meer woonruimte/kamers en meer licht in het woonhuis, maar mogelijk ook de behoefte aan meer ruimte voor graanopslag op de zolder boven het woongedeelte in de periode dat de akkerbouw nog van grote betekenis was. Soms ontstond zo’n dwarsvoorhuis doordat men aan één of beide zijden de zijmuur verder naar buiten plaatste en hoger optrok en het voorhuis een dwarskapje gaf. Maar men bouwde het voorhuis ook wel nieuw zo voor de oude boerderij. Daar men het voorhuis nu in steen bouwde en balken op de stenen zijmuren kon laten rusten, hoefde men zich in het woongedeelte niet meer aan de driebeukige opzet van het hallehuis te houden. Mogelijk invloed van de IJsselstreek?

Fig. 13 Bergkampen 41 (foto: H. de Zeeuw)

1.7 Dwarsdeeltype met hoog voorhuis

Als verdere ontwikkeling van de grote boerderijen met twee zijbaanders werden er In de tweede helft van de 19e eeuw diverse boerderijen gebouwd (aan de Leeuwte, Barsbeek, Oppen Swolle) met een brede opzet en een hoog opgetrokken voorgevel die het mogelijk maakte om de zolder boven het voorhuis bij de woning te betrekken als slaapkamers en met meer lichtinval door de grotere ramen (zie figuur 14). Die zolder, waar voorheen het gedorste graan werd opgeslagen, verloor vanaf midden 19e eeuw aan betekenis als opslagruimte daar er nu veel minder graan werd verbouwd (nu vooral nog als veevoer).

Fig. 14 Dwarsdeeltype met hoog voorhuis: Leeuwte 30 van 1875 (Foto: Vincent Erdin, 2021)

In dergelijke grote boerderijen zou in de 19e eeuw vaak het voorheen multifunctionele woongedeelte opgesplitst worden in een woonkeuken en de pronkkamer (vaak ook winterverblijf). Ook kwam er toen vaak een gang achter de voordeur. Vroeger kwam de voordeur direct in de woonkamer uit, maar dat gaf niet omdat men deze deur vrijwel nooit gebruikte (alleen voor trouwerij, begrafenis, e.d.) en iedereen door de schuur naar binnen kwam. Onder invloed van stedelijke woonwijzen, ging men nu meer de voordeur gebruiken en weerde men kou en tocht door een gang tussen de kamers te maken.   

1.8. Hallehuis met Friese invloeden

Op de zandopduikingen langs de zeedijk richting Blokzijl (de “Duin” en “de Hazebrinken”) waren duidelijk Friese invloeden. Zo lijkt de boerderij “de Duin” aan de Vollenhoofse dijk halfweg naar Blokzijl (zie figuur 15) op een Friese stelpboerderij met de inrit aan de voorkant, uleboerden op het dak en een dekbalk gebinte zoals in Friesland werd toegepast (in plaats van het hier gebruikelijke ankerbalkgebinte). Toch is de boerderij oorspronkelijk niet als stelp gebouwd maar, zo ontdekte boerderijonderzoeker Uilkema in 1927, een oud hallehuis dat later in de richting van een stelp werd aangepast. Ook andere boerderijen met name ten noorden van Blokzijl hebben duidelijk de Friese stelp als voorbeeld gehad.

Fig. 15 Boerderij Vollenhoofsedijk 2, Blokzijl (Foto: Philip Friskorn)

2. De verveende gebieden

In de veengebieden die het hoge deel van het Land van Vollenhove omringen  volgde de boerderijbouw in grote lijnen het pad van de boerderijen op het hoge land. Maar in de lage gebieden van Jonen, Wanneperveen, Belt -Schutsloot en Giethoorn waren de boerderijen vaak kleiner dan op het hoge land en langs de kust. De veehouderij werd lange tijd beperkt door de slechte waterhuishouding. In deze gebieden was men dan ook gewoon om een deel van het hooi te verkopen in plaats van het als wintervoer voor het vee op te slaan. Daarom zijn de boerderijen hier over het algemeen minder hoog/breed/lang dan op het hoge land (zie figuur 16).

Fig. 16 Boerderijtje Dwarsgracht 23 met hooiberg aan het water (Foto Vincent Erdin, 2021)

De percelen waren vaak smal waardoor de dwarsdeeldeuren soms schuin in de boerderij werden gezet. Ook werden de baanderdeuren hier vaak achteruit tussen de stijlen gezet (in plaats van in de zijmuur met opgelicht dak, zoals op het hoge land).
Waar men het hooi varend aanvoerde waren de zijdeuren vaak lager en kleiner, want er hoefde dan geen hoog opgeladen hooiwagen door. De veestalling was veelal in de zijbeuken en de hooitas in de middenbeuk, net als op het hoge land (zie figuur 3).

Op heel smalle percelen kwamen hier ook boerderijen voor waar zijbaanders ontbraken en men een zijbeuk verbrede en deuren aan de voor- en achterzijde van de zijbeuk aan bracht, waardoor een zijlangsdeel ontstond en men aan de ene kant naar binnen en aan het andere kant er weer uit kon rijden. Er zijn in Giethoorn en Dwarsgracht ook diverse boerderijen waarbij het hooi door deuren in het midden van de achterwand naar binnen werd gebracht.

Nam de behoefte aan hooiberging verder toe dan werd er vaak een losse hooischuur met overhangende kap aan de vaart gezet, zodat het hooi zo uit de bok of praam in de hooischuur kon worden gebracht (zie figuur 17).  Maar er zijn ook veel boerderijtjes waar men met een verhoging van de schuur (bultrug) het probleem oploste.

Fig. 17 Hooischuur met kap boven het water Binnenpad 44 in Giethoorn (Bron: Schelhaas en Molenaar, 1979)

3. Andere typen

3.1. Stadsboerderijen

Een aparte categorie vormen de tientallen stadsboerderijen (zie figuur 18) die lange tijd bestonden in de stadjes Vollenhove, Blokzijl en Zwartsluis tot deze in het kader van de ruilverkaveling in de zestiger jaren werden gesaneerd en afgebroken of omgezet in woonhuis.
Vroeger graasden de koeien ’s zomers veelal op de dijken tussen Zwartsluis en Blokzijl onder toezicht van een oppasser. Kinderen brachten de koeien ’s morgens en ’s avonds van huis naar de dijk. De stadsboerderijen schiepen vaak een onhygiënische toestand met de mestvaalt vlak bij een drinkwaterput, veel vliegen, kadavers aan de weg e.d. De koeienmest werd naar de bouwlandjes rondom de stad gebracht of verkocht.

Fig. 18 Een stadsboerderij in Blokzijl (Bron: Schelhaas en Molenaar, 1979)

3.2. Landarbeiders-boerderijtjes

In de Landarbeiderswet van 1918 werd geregeld dat landarbeiders bij de gemeente een renteloze lening konden verkrijgen om de bouw van een “plaatsje” (een eenvoudige woning met een schuur en een stuk grond) te kunnen laten bouwen, om hun woonsituatie te verbeteren en de mogelijkheid te geven wat te verbouwen voor eigen voedsel (zie figuur 19). In 1920 wordt de ‘Vereniging ter bevordering van de Verkrijging van Onroerend Goed voor Landarbeiders Arbeid Adelt te Ambt Vollenhove’ opgericht om landarbeiders te helpen een aanvraag in te dienen. Ook de lokale Boerenleenbank zou aan ‘Arbeid Adelt’ kredieten gaan verlenen om woningen te bouwen voor deze groep. Zo kwam een vijftigtal “plaatsjes” tot stand in de Moespot, de Leeuwte, Drostenbos, Bergkampen, Halleweg en Zuurbeek. Vaak werd in de schuur een koe en/of een paar varkens of geiten gehouden. Een beperkt aantal “plaatsjes” zouden uitgroeien tot keuterboertjes met 3 – 6 koeien, vaak door het vergroten van de schuur achter het huis.   

Fig. 19 Arbeiders-”plaatsje” Leeuwte 3 (Bron: collectie Driessen)

3.3. Ontginningsboerderijen in de herontginningsgebieden

Ten tijde van de ontginning van de Giethoornse polder en de polders Halfweg, Gelderingen en Wetering Oost werden eind dertiger jaren en begin vijftiger jaren van de vorige eeuw in totaal 103 nieuwe boerderijen gebouwd door de Dienst der Domeinen.

Veel van deze ontginningsboerderijen werden ontworpen door de technici van de Dienst der  Domeinen. Deze boerderijen worden gekenmerkt door hoge, steile zadeldaken, soms met wolfseind en soms met een houten topgevel (zie figuur 20). Bij deze boerderijen hoorden grote zwarte halfopen kapschuren, waarvan de grootte werd gekoppeld aan het aantal hectares van het bedrijf. Een deel van deze bedrijven waren aanvankelijk akkerbouw bedrijven, later zouden de meesten veeteeltbedrijven worden.

Fig. 20 Hoeve Wassenaar, Jan van Nassauweg 14, Giethoorn van 1938 (Bron: Google maps)

3.4 Naoorlogse nieuwbouw na brand

In de oorlog brandden een aantal boerderijen aan de Barsbeek af die vervolgens werden herbouwd, vaak met een ontwerp dat doet denken aan de modellen met een mixture van traditioneel-lokaal en modern-Hollands die door Bureau Wederopbouw Boerderijen werd gebruikt om in de oorlog beschadigde boerderijen te herbouwen (zie figuur 21).

Fig. 21 Na de oorlog nieuwgebouwde boerderij Barsbeek 68 (foto H. de Zeeuw)

3.5. Ruilverkavelingsboerderijen in de Heven, de Bente en in de Blokzijler uiterdijken. 

In door de ruilverkaveling Vollenhove-Blokzijl beter ontsloten en ontwaterde gebieden verrezen in totaal 53 nieuwe boerderijen (zie figuur 22). De voorlichters van de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst begeleiden de plannenmakerij (technische inrichting, kosten/baten berekening) maar de keuze van type boerderij, architect en aannemer beruste bij de boer/boerin. Een verplaatste boer kreeg veelal 15 hectare toebedeeld, want volgens berekening van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) kon een boerderij van die grootte met 20 tot 22 koeien gerund worden door één boer met hulp van zijn zoon of de loonwerker. Er waren ook een paar grotere boerderijen tot wel 35 hectare. Verplaatste boeren bouwden doorgaans een voor die tijd moderne boerderij met een Hollandse grupstal voorzien van automatische drinkbakjes en voergoot, een aparte ruimte voor de melkkoeling, een brandvrije zoldervloer van holle baksteen, meer ramen en aparte ruimtes voor machines, trekker en de opslag van kunstmest.

Fig. 22 Ruilverkavelingsboerderij aan de Duinigermeerweg (zal worden afgebroken in 2023) (foto H. de Zeeuw)

Gebruikte bronnen:

  • Bouwer L.R. (1985) Boerderijen in het Land van Vollenhove en hun bewoners, Giethoorn
  • Cruyningen Piet van, et al (2006) Het boerderijenboek, Waanders i.s.m. SHBO
  • Hekker R.C. (1958) De ontwikkeling van de boerderijvormen in Nederland, In: Fockema AndreaeJ., R.C. Hekker, E.H. ter Kuile en M.D. Ozinga, Duizend jaar bouwen in Nederland, deel II, Amsterdam
  • Hekker, R.C. (1991) Historische Boerderijtypen, Overdruk uit Jaarverslag SHBO 1990, Arnhem
  • Meulenberg P.J. (z.j.) Boerderijen in het Land van Vollenhove en hun bewoners (uitgever onbekend; dit boekje gaat over de boerderijen in de herontginningspolders).
  • Olst, E.L. van (1991) Uilkema, een historisch boerderijonderzoek. Boerderijonderzoek in Nederland 1914-1934, 2 delen, Stichting Historisch Boerderij-onderzoek, Arnhem 
  • Olst, E.L. van (2002) Landelijke bouwkunst Overijssel, Stichting Historisch Boerderij-onderzoek, Arnhem
  • Reeskamp D.J. (1977) De Gieterse boerderij, in: Bijdragen uit het land van IJssel en Vecht bundel 1: 63-81, IJsselakademie, Kampen
  • Schelhaas, H en B. Molenaar (1979) Boerderijen in Overijssel, Waanders, Zwolle i.s.m. Het Oversticht