Leeuwte 68, Sint Jansklooster, Prinsenhof
Fig. 1. Leeuwte 68 (Foto Henk de Zeeuw, 2026)
In 1832 staat Annigjen Sok (1783-1845) als eigenaar te boek van de Prinsenhof in de Kleine Leeuwte. Ze is veehoudster en de weduwe van Pieter Hartong (1789-1827), een veenbaas uit Wanneperveen. Hun enige zoon stierf op 3-jarige leeftijd. Voordien was ze getrouwd met Jacob Leeuw (1777-1818) met wie ze drie kinderen kreeg. Jacob kwam voor haar vanuit de Beulake naar de Leeuwte en was veenarbeider en rietteler (10 ha). Daarnaast hadden ze wat vee (met 1 ha hooiland en 1 ha weiland) en een zeer grote moestuin (paars op fig. 2).

Na het overlijden van Annigje in 1845 erft zoon Jan Leeuw (1809-1852) het huis aan de Kleine Leeuwte. Het meeste rietland wordt dan verkocht. Jan trouwde in 1820 met Hendrikje Winters (1810-1852). Jan is bakker in Barsbeek en wordt daar een paar jaar later opgevolgd door zijn zoon Jan Leeuw Jr (1834-1891) die na de dood van z’n ouders ook Leeuwte 68 erft. Jan junior trouwt met Jacobje Lok (1831-1918) die voor de helft mede-eigenaar wordt van Leeuwte 68 waar ze gaan wonen.
Evert Leeuw (1861-1939), Jan’s oudere broer, wordt in 1915 de nieuwe eigenaar van Leeuwte 68 (hij was inmiddels een bakkerij begonnen aan de Grote Leeuwte no 25). Hij verbouwt dan de boerderij en waarschijnlijk dat toen de schuur werd vergroot om daar vee te kunnen gaan houden.



De plattegrond laat zien dat het voorhuis een grote woonkamer met schouw, drie kasten kende. Twee bedsteden lagen boven de kelder waarvan de ingang zich op de deel bevond. De koeienstal was tegen de achtermuur met in de rechterhoek een houten wc boven de grup.
In 1923 trouwt Evert’s dochter Jacobje Leeuw (1899-?) met Luite van Dalen (1895-?). Na het overlijden van vader Evert in 1939 erven zij Leeuwte 68 en verkopen het in 1940 door aan Evert ten Napel Jr. (1907-2000) die als landarbeider in het Kadaster staat, maar thuis ook een paar koeien in de stal heeft staan.
In 1952 gaat het huis over naar Klaas ten Napel (1922-1983; landarbeider/rietteler; later medewerker Waterloopkundig Laboratorium; geen familie van Evert). Hij is getrouwd met Aaltje Lassche (1929-2023). Zij verbouwen in 1963 het huis, waarbij o.a. de grote baanderdeuren worden vervangen door een voordeur en een deur naar de schuur.

De voor- en zijmuren worden dubbelsteens gemaakt, de raampartijen worden gewijzigd en de schouw wordt verplaatst naar de muur tussen de twee woonkamers (nu kon je er in 2 kamers een kachel op aansluiten). De plattegrond (fig. 7) laat zien dat er boven de kelder nu twee slaapkamertjes zijn gemaakt. Op de deel is een gang en een grote slaapkamer met twee kasten gemaakt. In de schuur is een keukenaanrecht en de wc. Het stookhok is inmiddels afgebroken.

Klaas heeft geen koeien, maar als nevenactiviteit richt hij de oude grupstal in als hokken voor 3 zeugen. Ook buiten heeft hij nog een hok met 3 zeugen. Op een gegeven moment wordt de achtermuur nieuw opgemetseld waarbij ook de mestdeurtjes en stalraampjes weer worden ingebouwd. Maar een jaar later gingen de varkens de deur uit!. Bij een latere verbouwing worden de twee woonkamers samengevoegd en komt de schouw weer tegen de voormuur. Daarvoor werd het rechterdeel van het grote voorraam dichtgemaakt (zie Fig.8).

Na de dood van Klaas in 1983 erft zijn zoon Albert ten Napel (constructiebankwerker) het huis, waar hij gaat wonen met zijn vrouw Emma Kruijer nadat ze de indeling van de boerderij vergaand hebben aangepast (zie fig. 9), waarbij o.a. ook de kelder weer toegankelijk wordt gemaakt.

In 2024 lieten ze de voorgevel vernieuwen waarbij ook de raamindeling weer werd aangepast. De boerderij staat er nu weer glanzend bij (zie fig.1).