Leeuwte 67, Sint Jansklooster
Fig 1. Leeuwte 67 in 2023 (Foto Henk de Zeeuw)
Gerrit Luiten van Dalen trouwde in 1822 met Geesjen Peters de Olde. Gerrit en Geesjen trokken toen in het huisje dat haar vader (Pieter de Olde) aan de Kleine Leeuwte had laten bouwen. Ook Gerrit was “turfboer” net als z’n schoonvader en meerdere familieleden van Geesjen die vlak naast hen woonden (Jan Willems den Olde op nummer 65, Jan Leenderts den Olde op nummer 69, Hendrik Jans den Olde op nummer 71). Ook anderen die in die tijd in datzelfde buurtje aan de Kleine Leeuwte woonden, waren turfboer: Hermen Berends Lassche (op 63), Hendrik Alberts de Vries (op 75). Ook aan het Beulakerpad (Albert Jans Driesen, Jan Hendrik Ziel en Willem Huisman) en aan de Oude Beulakerweg (Teunis Jans Boxern) woonden diverse turfboeren. Dat waren veelal kleine ondernemertjes in de vervening. Zij kochten veengrond op en stelden veenhutten en verveningsgereedschappen ter beschikking aan de veenarbeiders die de bovenlaag wegspitten en de brokken veen met de beugel uit het water optrokken (heel zwaar werk). De “turfboer” werkte soms zelf mee als turfmaker (mengen, aanstampen, snijden, drogen, transport) of had enkele lokale arbeiders in dienst voor dat soort werkzaamheden. In 1795 telde Ambt Vollenhove nog zo’n 30 turfboeren. Maar de hoeveelheid nog te vervenen grond liep midden 19e eeuw al sterk terug.

Gerrit van Dalen bezat in 1832 best veel “land”, maar voor een groot deel bestond dit land uit rietland/moeras/water. Dat waren dus percelen die al eerder uitgeveend waren en nu verlandden. Verder wat hooiland, wat weiden en een paar percelen waar turf gewonnen werd.
In 1876 overleed Gerrit en erfde dochter Koopjen Gerrits van Dalen (1830-1878) de woning en een deel van het land. Zij was in 1863 getrouwd met Jan Roelofs Rook (1835-1922), die de eerste was die dit pand als boerderij ging gebruiken. Waarschijnlijk werd in deze jaren de bestaande schuur verbreed en verhoogd of werd een nieuwe schuur aan de woning gebouwd.
In ieder geval blijkt uit een hulpkaart van het Kadaster uit 1888 (zie fig. 3) dat in die jaren het boerderijtje de grondvorm bereikt die het nu nog heeft.

Dat Jan Rook geen turfbaas meer was maar boer werd, zal te maken hebben gehad met de neergang van de vervening. Vrijwel alle geschikte percelen met veen waren al uitgebaggerd en de hannekemaaiers kwamen niet meer om het zware werk te doen (die gaven de voorkeur aan de opkomende industrie in Duitsland). Als boer had je meer ruimte nodig om het vee en paard te stallen, hooi op te slaan, te karnen en spullen schoon te maken. Daarom zette men de staanders van het gebinte vaak verder uit elkaar zodat men ook meer hoogte kon winnen en er meer ruimte ontstond zowel in de breedte (voor de stallen en deel) als in de hoogte (voor de hooitas).

Uit de weergave van de oude situatie op een latere (ver-)bouwtekening blijkt dat het boerderijtje er toen ongeveer zo uitzag als op bijgaande schets:

Koopjen overleed in 1878 en Jan hertrouwde in 1884 met Neeltjen Hilberts, maar die overleed een paar jaar later ook. Jan hertrouwde opnieuw nu met Jentje van Dalen, waarmee hij nog dertig jaar samenleefde.
In 1911 gaat de boerderij over naar zoon Piet Rook, met vier broers en drie zussen als mede-eigenaren. Piet was in 1900 getrouwd met Lammigje van Benthem. Piet was visser maar mogelijk dat Lammigje nog wat vee verzorgde.
In 1950 wordt hun zoon Albarthus Rook eigenaar van de woning. Ook hij is geen boer, maar arbeider.
Na zijn overlijden in 1986 wordt het huis verkocht aan Wiebe Kok (gymnastiekleraar) en Aly van Driel uit Zevenaar, die het huis verbouwden en het stookhok liet afbreken.
