Barsbeek 20, Sint Jansklooster, Koespot
Fig. 1 Barsbeek 20 in 2024
In 1832 woont en boert hier Coert Rook, samen met Aaltje Winter zijn vrouw, met wie hij vier kinderen krijgt die -vreemd genoeg- Jentjen, Jan, Jentje en Jantje genoemd worden (en het is ook niet zo dat de eerste Jentjen vroeg overleed). Aaltje overlijdt in 1813 en Coert hertrouwt dan met haar zuster Jennigje Winter, met wie er nog zes kinderen komen, waaronder 3 Jochems en twee Aaltjes (twee Jochems en één Aaltje overleden al in het eerste jaar).

De boerderij had waarschijnlijk oorspronkelijk de vorm en indeling zoals getoond op Fig.3.

De plattegrond laat goed zien dat het voorhuis oorspronkelijk een bedstedenwand had in beide kamers, waarvan één deur doorgang naar de deel verschafte. De koestal was waarschijnlijk links, hooitas in het midden, en rechts de paardenstal naast de baanderdeuren en daarachter de varkenshokken, turfhok e.d. Er ligt een kelder onder de linkerkamer met toegang vanaf de deel (zie fig.4).

In 1855 wordt de boerderij verkocht aan Jan Boes (landbouwer) die het jaar daarop trouwde met Jentjen Heetebrij. Toen Jan in 1874 overleed, zette z’n moeder de boerderij voort, mogelijk met hulp van Jochem Rook waarmee ze in 1883 zou hertrouwen. Jochem overlijdt in 1893 en dan wordt Hoege Boes (de zoon van Jentje met Jan Boes) de eigenaar van de boerderij, waarop hij wellicht al jaren meewerkt. In 1905 trouwt Hoege met Grietje Post; het paar blijft kinderloos. In 1933 raken ze een reepje grond kwijt aan de Provincie voor de aanleg van de weg (zie fig. 5.).

In 1950 wordt de schuur van de boerderij verbreed door de linker- en rechtermuur van de schuur naar buiten te zetten. Ook werd er een kamer naast het bestaande voorhuis gebouwd, waarvan een keuken werd gemaakt (zie fig. 6 en 7). Ook wordt een gierkelder gebouwd.


Hoege overlijdt in 1943 en Griet (“-je” was er nu wel vanaf) hertrouwt (op haar 63ste) met Wolter Rook. Wolter zou in 1956 overlijden en zowaar vindt Griet op haar 75ste (!) nog weer een nieuwe echtgenoot: Hendrik van de Wetering (ook 75 jaar oud) uit Medemblik. Op bezoek bij zijn broer Arend leerde hij Griet kennen. Als “oudste bruidspaar ooit” zouden ze met foto de krant halen en de buren zetten een kinderwagen op het dak!
In al die jaren woonde ook Harmpjen Lasschen daar bij Griet in huis; Zij was als negenjarige wees geworden en zou vele jaren lang het huishouden van Griet en haar successieve echtgenoten verzorgen, evenals de groentetuin en de schapen. Naar verluidt, woonde er ook een tijdlang een onderwijzer in de uitbouw/keuken van Griet. Buurjongen Evert Klaver bleef de laatste jaren van Griet’s leven vaak in de boerderij overnachten om een beetje op haar te passen. Na Griet’s overlijden in 1966 werd Harmpjen door de familie Klaver opgevangen.
Zus Geesje erft de boerderij die ze in 1967 verkoopt aan Albert Romkema, een accountant uit Franeker, die het als tweede woning gaat gebruiken. Hij maakt van de oude keuken een slaapkamer en timmert op de deel een nieuwe keuken, hal en twee slaapkamers. De oude wc blijft gehandhaafd (zie fig.8).

Romkema verkoopt de boerderij in 1972 aan Jan Emck, een adjunct-directeur uit Eefde die de boerderij grondig verbouwd. Hij zet de muren van de schuur links en rechts weer op de oorspronkelijke plek en breekt de uitbouw naast het oorspronkelijke voorhuis weer af. Op de deel worden een keuken en een badkamer opgetrokken, nu in steen (zie fig. 9).

In 1976 koopt Frederik Koch uit Arnhem de woning en gaat daar permanent wonen (hij is
werkzaam bij het Waterloopkundig laboratorium in de polder). Er volgt dan een verdere verbouwing van de deel tot woon- en werkruimtes en op de zolderverdieping worden slaapkamers en een badkamer gemaakt. De tekening maakt duidelijk dat de kelder nog steeds is gehandhaafd (zie fig. 10).

NB. de naam “de Koespot” is een vrij recente naam gegeven door een tijdelijke bewoner begin zeventiger jaren, waarbij de naam zou kunnen slaan op het uitzicht op de weide met (steeds minder) koeien, of een variatie zou kunnen zijn op café “de Moespot”, maar volgens de naamgever vooral betrekking heeft op het Friese woord “koesen” (knuffelen).