Fig.. 1. Barsbeek 13 (Foto Henk de Zeeuw)
In 1636 wordt op een kaart al de “Clutenberch” vermeld. Volgens een trouwakte woonde in 1671 een zekere Geertjen Derricks op “Kluijtenborgh”, dochter van Derrick Geerts. Zij trouwde die dag met Jan Jansz. Hun zoon Jan Jans Driegen is de overgrootvader van Jan Willems Zandbergen (1783-1840) die volgens het kadaster hier in 1832 boer-eigenaar is en getrouwd met Lammigje Hermens Meijlof (1793-1860).

De boerderij is gebouwd op de oeverwal van het stroompje dat hier vroeger onder langs het hoge land liep. De waterput werd dan ook niet direct naast het huis gemaakt maar een vijftien meter vóór het huis, waar een watervoerende grindlaag zit: de oude bedding van dat stroompje! Dank zij die iets hogere ligging bleef de boerderij droog tijdens de inundatie aan het eind van W.O.II.
In 1839 koopt buurman Jan Willems Zandbergen de boerderij ernaast en laat die slopen om er een weiland van dit perceel te maken (zie fig. 3). Later zou meer naar voren vlak aan de weg een nieuwe boerderij worden gebouwd (nu Barsbeek 15).

In 1853 koopt Asse Winter (1788-1868), wiens vrouw (en nicht) Jentje Jans Winter dat jaar overleden was, deze boerderij.
In 1869 erft dochter Jentje Asses Winters (1819-1900, nu met s!), getrouwd met Jan Helprigs Driegen (1821-1879), de boerderij. In 1873 wordt de boerderij “vertimmerd”.
In 1900 erft Egbert Jans Driegen (1843-1926) de boerderij, samen met zijn -eveneens ongehuwde- broers Asse (1846-1930) en Jan (1850-1929), die er alle drie tot op hoge leeftijd blijven wonen en werken.
De boerderij had toen nog grotendeels het oorspronkelijke grondpatroon (zie fig. 4).

De broers Driegen wonen dan nog in de voorkamer rechts van de gang.
In 1929 wordt er rechtsvoor een stuk aangebouwd (zie fig. 5) om een slaapkamer te maken voor de ouder wordende Hoege en Grietje, die in dat deel van het huis gaan wonen (met een open keuken vooraan op de deel). Een jonger stel, Jan Berends van Egten (1890-1966) en zijn vrouw Jentje Heetebrij (1891-1981), komt in het grotere deel van het voorhuis wonen, waar een stukje van de deel wordt bijgetrokken om een keuken te maken (zie fig.5).

In 1934 gaat de boerderij in eigendom over naar Jan van Egten, die rietdekker is en wordt de schuur voortaan gebruikt voor rietopslag; De koeien gaan dan dus de deur uit. De twee varkenshokken (v) blijven nog wel in gebruik. De gezamenlijke wc staat als altijd achter op de deel aan het eind van de grup (zie fig. 5).
Vanaf 1945 komen pasgetrouwde dochter Grietje (1923-1984) met haar man Cornelis Everts Rook (1913-1985) in het grotere deel van het voorhuis wonen, terwijl haar ouders in het kleinere deel trekken. Grietje en Cornelis zouden elf kinderen krijgen.
In 1949 trouwt dochter Lupje (1923-1984) met Evert Simons Spit (timmerman). Hij gaat een woonkamer, slaapkamer en keukentje bouwen in het rechtsachter deel van de schuur (zie fig. 6). Zij zouden vier kinderen krijgen.

Op zeker moment woonden er 19 personen in deze boerderij. In die periode sliepen in de krappe bedstee onder de trap wel 5 kinderen. Andere kinderen sliepen op de open zolder.
In navolgende jaren zouden er geleidelijk aan meer slaapkamers op de deel gemaakt worden, komt er een nieuwe wc en douche en de jongeren in huis creëerden hun eigen hangplek (zie fig.7).

Ter voorbereiding van de verkoop van de boerderij in 1984 wordt het pand formeel gesplitst in 13 en 13 a. Roelof Boes (agrarisch medewerker) en Lubertha Rook kopen de ene helft (no 13) en Peter Rook (vloerenlegger) en Roelofje Bruintjes kopen de andere helft (no 13a). De boerderij wordt dan nogmaals grondig verbouwd (zie fig.8).
